Zwijgen als je gepakt wordt: het onderduikershol in het Valtherbos

Tussen de bomen wijst een eenvoudig bordje: onderduikershol. In het Valtherbos wisten tijdens de Tweede Wereldoorlog 16 joden te overleven, twee helpers moesten hun volharding met de dood bekopen.
@media (max-width: 679px){#fig-614a1bb2a04ad img.lazyloading{background: #eee;}#fig-614a1bb2a04ad img{#fig-614a1bb2a04ad img.lazyloading{width: 470px;height: 470px;}}@media (min-width: 680px) and (max-width: 680px){#fig-614a1bb2a04ad img.lazyloading{background: #eee;}#fig-614a1bb2a04ad img{#fig-614a1bb2a04ad img.lazyloading{width: 624px;height: 624px;}}@media (min-width: 681px) and (max-width: 1320px){#fig-614a1bb2a04ad img.lazyloading{background: #eee;}#fig-614a1bb2a04ad img{#fig-614a1bb2a04ad img.lazyloading{width: 1290px;height: 726px;}}@media (min-width: 1321px){#fig-614a1bb2a04ad img.lazyloading{background: #eee;}#fig-614a1bb2a04ad img{#fig-614a1bb2a04ad img.lazyloading{width: 948px;height: 533px;}}valtherbos

Dit artikel verscheen in Noorderland 2020-3.

Tussen de bomen wijst een eenvoudig bordje: onderduikershol. In het Valtherbos wisten tijdens de Tweede Wereldoorlog 16 joden te overleven, twee helpers moesten hun volharding met de dood bekopen. Tussen de overlevenden ontstond een vaak levenslange verbintenis. Maar erover praten konden ze niet.

Mei 1944

Eén draad verbindt in het voorlaatste oorlogsjaar de gedachten van een groep onderduikers in een Drents bos: het verlangen om te leven. Het zijn de woorden van Ab van Dien. De 24-jarige joodse Emmenaar houdt zich dan al zo’n anderhalf jaar op verschillende plaatsen schuil, waarvan de laatste zes maanden in een hol in het bos. De overvliegende bommenwerpers brengen het gesprek telkens op de vurig gewenste geallieerde invasie. Het is afwachten.
Wachten – wie aan de onderduik denkt, zal het daarin samenvatten. Maar in zijn boek De opgejaagden schetst Van Dien vooral onrust. Er was veelvuldig contact met de helpers, om de paar dagen moest er voedsel worden gebracht of opgehaald en er heerste een voortdurende angst om ontdekt te worden. Slechts in enkele passages schrijft hij over moedeloosheid en geduld. Toch zal dat veel meer aan de orde zijn geweest, denkt zijn zoon Han van Dien (68). Hij bezocht zelf het hol eens in de winter, toen er sneeuw lag, een verraderlijk tapijt. ‘In de oorlog kon je dan geen kant op. Als je pech had, moest je maandenlang in het hol blijven. Dat moet een ramp zijn geweest.’

Zomer 1942

Voor Ab van Dien begon de opschudding in augustus 1942, toen hij zich zoals andere joodse mannen moest melden voor tewerkstelling. Van Dien duikt onder, in Barger-Compascuum, op een ‘prachtige zomeravond’. Al na zes weken moet hij de veilige haven verlaten. Via zijn helpers komt hij terecht bij een slager in een dorp verderop. Zijn onderkomen: een “stobbe”, een holle turfhoop. Hij deelt deze met de joodse veehandelaar Isaak Kropveld, die het in de miserabele schuilplaats niet uithoudt en vertrekt. Kropveld, zijn vrouw en een zoon zullen omkomen in concentratiekampen. Twee andere zoons voegen zich later bij de groep in het Valtherbos, wat hun redding wordt.
Spil van dit onderduikershol is kippenhouder Albertus (Bertus) Zefat. Naar diens boerderij, even buiten het dorp Valthe, wordt Van Dien toe gebracht, op een donkere novemberavond in 1942. In het kippenhok voegt hij zich bij een achttal onderduikers, tot het te gevaarlijk wordt en ze op aanraden van Zefat het bos in gaan.
De “Zefat-groep”, vertelt amateur-historicus en auteur Johan Withaar, had geen formeel georganiseerde structuur. In de eerste lijn wist zo’n 15 man van de hoed en de rand, op afstand kringelde een tweede lijn van minder ingevoerde helpers. ‘De kracht was dat het rustige mensen waren, die kalm bleven opletten. Zefat zelf was een ruwe bolster, blanke pit. Een “wereldgozer” zou je ’m nu noemen. Recht was voor hem recht en krom was krom. En van nature had hij leiderschap.’

Winter 1942

Met hulp en materialen van Zefat bouwen de onderduikers een gecamoufleerde schuur in het bos. Ze vellen bomen, graven en ploeteren, de handen zitten vol blaren. Van Dien geeft een Bijbels verslag van wat er gebeurt als ze op een dag zijn vergeten drinkwater mee te nemen. Iedereen werkt zonder te klagen door, tot het plots begint te sneeuwen: alle werkers steken de tong uit om de hemelse verlossing op te vangen. Als de hut eenmaal staat, wordt er zelfs Sinterklaas gevierd. Een geluidloos sneeuwbalgevecht wordt een merkwaardig pantomimespel. Maar de ontspanning blijkt van korte duur.
Op eerste kerstdag 1942 stuiten drie jonge kerels op de schuilplaats. Angst maakt plaats voor opluchting: de mannen houden hun mond en raken deels betrokken bij de hulp. Als kort daarna ook nog takkensnijders in de buurt komen, wordt de keet alsnog verruild voor een halfjaar “kamertjesleven”, tot de dreiging van razzia’s de onderduikers het bos weer in stuurt. Tussen de bomen wacht wederom een onfortuinlijke ontmoeting, ditmaal met een oude, dove houtsprokkelaar.
Heeft deze “Ol Pieter” kwaad in de zin of snapt hij domweg niet wat hij aanricht? Dat blijft onduidelijk. Misschien past het binnen wat Henk van der Veen (74) het “grijze circuit” noemt, het spectrum van goed en fout. Zijn vader Klaas was een van de ontdekkers op eerste kerstdag. Als Henk tegenwoordig schooljeugd meeneemt naar het hol, blijft hij graag weg van zwart-witverhalen. Feit is dat de houtsprokkelaar aangifte doet bij de marechaussee.

Nazomer 1943

Bertus Zefat komt de onderduikers in allerijl waarschuwen: ze moeten weg, en wel nu. Het lijkt in het boek een sleutelmoment. Zefat deed al zo lang zijn best om de onderduikers te beschermen, maar op de woensdagmorgen, eind september 1943, wanneer hij telkens ‘het bospad op en neer is gevlogen’, maakt hij zijn eigen veiligheid openlijk ondergeschikt. Was dit het moment waarop Zefat besefte hoe diep hij zélf in het hol zat? Archiefonderzoeker Johan Withaar ziet het genuanceerder. ‘Ik denk niet dat hij ooit heeft gedacht: nu is er geen weg meer terug. Hij deed wat zijn hart hem ingaf.’
Halsoverkop verzamelen de joden hun spullen en zoeken een nieuwe schuilplaats verderop in het bos, waar ze meteen beginnen te graven. Van Dien beschrijft hun ontreddering op die ‘heel lange middag’: ze lopen rond ‘als een troep dieren, die samengejaagd zijn op een klein stukje grond’. De uren kruipen voorbij. Soms horen ze stemmen en speurhonden. ‘Angst kan een mens gek maken denk ik, en als ik omkijk, zie ik dat een van onze mannen zich aan het scheren is met water en koffiedik in een roestig blikje.’
De schemering biedt dekking. Een maand later staat op de nieuwe plek een hut, met hulp van Bertus Zefat en Klaas van der Veen. Het wordt hun laatste toevluchtsoord, tot de Eerste Poolse Pantserdivisie op 11 april 1945 de dorpen rond het bos bereikt. Maar niet iedereen maakt de bevrijding mee.

27 juli 1944

Eindelijk, het langverwachte nieuws: invasie in Normandië. Terwijl de geallieerden in juni 1944 beginnen aan hun opmars, komen de joden in het Valtherbos voor een dilemma te staan. Helper Jan Hendriks, uit de eerste lijn, krijgt bezoek van zijn neef Appie. Deze heeft aan Duitse zijde meegevochten maar wil niet terug. Zijn oom verwijst hem naar Zefat, die de vraag aan de onderduikers voorlegt: willen ze Appie herbergen in het hol?

Johan Withaar begon zijn archiefonderzoek acht jaar geleden met de vraagtekens rond deze persoon. Wie was Appie Hendriks? Een jongeman met een ongelukkige jeugd, concludeert Withaar, verpest door zijn stiefmoeder en een onaangepaste, stelende vader. Onbetrouwbaar, leugenachtig, een fantast, die over al zijn ervaringen tegenstrijdige verklaringen zou blijven afleggen.

De onderduikers zijn ‘unaniem tegen’, aldus het relaas van Ab van Dien. Het is te gevaarlijk om een overloper te verwelkomen. Appie vindt elders onderdak, maar wordt alsnog opgepakt en in het Scholtenhuis in Groningen onderworpen aan zware verhoren. In de vroege ochtend van 27 juli rijdt een overvalwagen met Duitsers en Landwachters naar de boerderij van Zefat. Aan boord is ook Appie. Zijn oom Jan Hendriks wordt erbij gehaald en op het erf danig mishandeld. Er volgt een confrontatie met Zefat, een huiszoeking, maar het levert niets op. Bertus Zefat moet mee het bos in, pal naast de boerderij. Op last van een Duitse officier worden de ramen aan de achterzijde van de woning verduisterd. Tegen 9 uur klinkt een schot.

Heeft Appie verraad gepleegd? Withaar werpt zelf de vraag op. ‘Zeker, hij heeft ze naar zijn oom en Zefat geleid. Maar er waren verzachtende omstandigheden. Het was iemand die niet kon overzien wat hij deed, zoals meer mensen aan de onderkant van de samenleving die in de oorlog een manier vonden om boven Jan te raken.’

Herfst 1944

Jan Hendriks wordt die juliochtend meegenomen naar het Scholtenhuis. De kruidenier uit Emmer-Compascuum gaat via Amersfoort op transport naar Neuengamme. Eind september 1944 vertrekt de trein naar Husum-Schwesing, in het uiterste noorden van Duitsland. In dat desolate oord moeten kampgevangenen antitankgrachten graven. In een reportage over haar grootvader (de Volkskrant, 28 april 2015) beschrijft Ellen de Visser de omstandigheden: ‘Werkdagen van 12 uur, in drassige velden waar de ijzige wind altijd waait, met als rantsoen een roestige bak waterige soep en een stuk beschimmeld brood, slapen met drie man in een smerige eenpersoonsbrits, de terreur van de kampbewakers en overal infecties, open wonden, buikloop. In Husum, zegt oud-gevangene Jan van der Liet (89), werden de grenzen van wreedheid bereikt. Hij herinnert zich zijn onbeschrijflijke eenzaamheid, te midden van rottende, stervende mensen. “In Husum bad men om de dood in plaats van om bevrijding.”’

De 28-jarige Jan de Visser was opgepakt in Zeeland, op 25 juli, twee dagen voor de noodlottige ochtend in Valthe. Half december werd hij, zeer verzwakt, nog teruggesleept naar Neuengamme. Jan Hendriks hield de dwangarbeid in Husum nog geen twee maanden vol. Hij bezweek op 18 november, vijf dagen na zijn 39e verjaardag.

In Valthe is lang gedacht dat Bertus Zefat was gefusilleerd door een Landwachter uit de buurt. Maar in de archieven ontdekte Johan Withaar de dader: Helmuth Johann Schäper, een beruchte naam uit het Scholtenhuis. Hij kwam in 1955 vrij. ‘Waar is hij gebleven? Dat is de grote vraag,’ zegt Withaar. Misschien Europa ontvlucht, zoals zo veel nazi’s.

Op de lijst met “gaatjes” heeft Withaar een andere prioriteit. Hij bezocht Neuengamme en Husum afgelopen december en hoopt de laatste rustplaats van Jan Hendriks nog te achterhalen. De archieven spreken elkaar tegen. Vermoedelijk is zijn lijk in een massagraf beland of verbrand. Het massagraf op het Ostfriedhof in Husum vond Withaar ‘een aanfluiting’, met een simpele plaat erbij in een hoekje van zo’n schitterende begraafplaats. ‘Ik had er meer van verwacht. Op z’n minst een iets uitgebreider verhaal.’

Klijndijk, 1956

Elf jaar na de bevrijding ligt boer Hendrik Westerink uit Klijndijk, buurdorp van Valthe, in het academisch ziekenhuis in Groningen. Aaltje Zefat komt elke zondag bij het gezin een voorraadje aardappelen halen. ‘Normaal gesproken zou mijn vader het veld op gaan om de aardappels uit de grond te krabben,’ zegt zoon Elbert (71). ‘Maar nu stapte mijn moeder op de fiets. Dat vond ik in die omstandigheden heel wonderlijk. Iedereen had te doen met de weduwe.’ Hendrik Westerink had de onderduikers in het Valtherbos, sinds die eerste kerstdag 1942, geholpen met eieren, vlees en melk.

Aaltjo Oldenburger, een van de belangrijkste schakels rond het hol, was na de dood van Bertus Zefat bij de weduwe ingetrokken. Twee dochters leden aan een spierziekte en hadden zorg nodig. In 1948 trouwde hij met een joodse vrouw uit Beilen. Dochter Finy Stulemeijer-Oldenburger (67) omschrijft haar vader als een man van weinig woorden. Pas toen er 50 jaar bevrijding werd gevierd, kwamen de verhalen los. ‘Maar hij vertelde nooit hoe hij het zelf allemaal ervaren had.’ 
Bang? Dat waren de helpers na de dood van Zefat in ieder geval niet, zeggen de kinderen nu. Ze bleven gewoon doen wat gedaan moest worden.

Op de begraafplaats in Odoorn vermeldt een eenvoudige, zwarte zerk de geboorte- en sterfdatum van Albertus Zefat, boven die van Aaltje, overleden in 1990. Geen woord over de toedracht van zijn einde, op die zomerochtend in 1944. Wel staat er een bordje bij met een gedicht, ‘Aan Bertus’, ondertekend door ‘Je duikers’.

Odoorn, 1960

Op 4 mei stonden Elbert Westerink en Finy Stulemeijer met hun vaders steevast voor de grafsteen in Odoorn. Jaarlijks kwam er een clubje bij elkaar van enkele helpers en onderduikers, die elkaar bleven opzoeken. Han van Dien herinnert zich een warm contact met de familie Oldenburger, het gezin Westerink had een hechte band met het onderduikechtpaar Sitta en Adolf From. ‘Dat waren mijn “oom en tante”, zo vaak zagen we elkaar,’ zegt Elbert. ‘Toen ik op het lyceum in Emmen zat, at ik altijd een boterham bij tante Sitta. Terwijl iedereen brood meenam en terwijl een echte oom nog dichterbij woonde.’

Maar praten over hun ervaringen konden de overlevenden niet, ook niet toen in de jaren 70 een aantal helpers een Yad Vashem-onderscheiding kreeg. Elbert Westerink typeert zijn vader als een man die doorgaans zijn woordje wel klaar had. ‘Die zat nergens mee, dat was het beeld.’ Elbert en zijn vrouw probeerden samen met de plaatselijke schooldirecteur praatavonden te organiseren om meer te weten te komen, aanvullend op het boek van Ab van Dien. Ze zaten met pen en papier in de aanslag. Tante Sitta was er ook bij. ‘Ze zei nog van tevoren: “We moeten ook de lelijke dingen vertellen.” Maar dat ging helemaal niet. Het stortte als een kaartenhuis in elkaar.’ 
In en na de oorlog gold hetzelfde beginsel, schetst Westerink. ‘In zo’n kleine Drentse gemeenschap leefde je in “gestuurde harmonie”: je wist dat er tegenstellingen waren, maar daar sprak je niet over. En bij sommige dingen hoefde dat ook niet. Die zitten in je botten.’

Valtherbos, 1960

Elke zondagochtend, jaar in jaar uit, ging het gezin van Ab van Dien op bezoek in Valthe: koffiedrinken bij “vrouw Zefat”. Vanuit hun huis in Emmen liepen ze er in een rechte lijn naartoe, dwars door het Valtherbos. 
Zoon Han had er geen benul van waar ze al die jaren langs wandelden. Bij Zefat thuis bekeek hij met dochter Gretha haar postzegels, die hij zelf ook verzamelde. Pas later, in gesprekken met haar broer, werden hem flarden duidelijk. Rond zijn 40e drong Han weer aan bij zijn vader. Die bleef het onderwerp uit de weg gaan: de volgende keer, dat komt nog wel. ‘Hij gaf me zijn boek om te lezen, maar het is nooit uit zijn mond gekomen.’

Tijdens de bezetting verloor Ab van Dien zo’n 30 familieleden. Zijn vader vond op 8 oktober 1942 de dood in Auschwitz. Na de oorlog trouwde Ab met Gien Warringa, een van zijn helpsters, die haar hele leven zou worden achtervolgd door schuldgevoelens over wat ze beter had kunnen doen. In het gezin werd tijdens het avondeten amper een woord gewisseld. Ab wilde ‘als een speer vooruit’, vertelt Han, vanuit het donker het licht tegemoet. Hij hield zich bezig met architectuur en kunst, organiseerde lokale salonavonden, ging op zakenreizen en keek vooral niet achterom. Elk jaar op 4 mei zette hij wel de radio aan voor de Dodenherdenking en de stilteminuten. ‘En daarna gingen wij als kinderen weer naar buiten. Voor mijn ouders moet het heel dubbel zijn geweest. Wat ging er in hen om? Hoe zij alles verwerkt hebben, daar ben ik nooit achter gekomen.’ Zijn ouders scheidden toen Han 19 was.

Valthe, 1944

Had het voor Bertus Zefat en Jan Hendriks anders kunnen aflopen indien Appie wél in het onderduikershol opgenomen was? Als de overlevenden nog met die gedachte hebben geworsteld, hebben ze ook dat in ieder geval nooit verteld. En nazaten die de weduwe van Zefat hebben gekend, noemen haar een kranige, sterke vrouw, maar al even gesloten. Finy Stulemeijer: ‘Er zat weinig spraakwater in.’ 
Voor de kinderen bleef het gissen naar evenwijdige lijnen en diepere gronden. Gevraagd naar de verwantschap met Zefat noemt Elbert Westerink zijn eigen vader een serieuze, sociaal invoelende man, met oog voor mensen die het minder hadden. De akkerbouwer verschilde van de kippenboer. ‘Maar het wederzijdse respect was groot. Door hun beroep waren ze allebei solist. Als boer sta je er in je eentje voor, je bent vaak alleen en neemt veel beslissingen alleen. Dat maakt het ook eenzaam.’ 
Zijn laatste beslissing nam Bertus Zefat toen hij 42 jaar was, tussen de bomen naast zijn boerderij. Zijn lijk werd gevonden met een kogelwond in het voorhoofd. ‘Zefat heeft gezwegen tot de laatste tel. Ik vermoed,’ zegt Elbert Westerink, ‘dat mijn vader dacht dat hij dat niet had kunnen opbrengen. En ik denk dat hij daar gelijk in had.’

Onderduiker Ab van Dien (1919-2005) schreef zijn herinneringen op. Wat voor het eerst werd gepubliceerd in 1982 als gestencilde bundel, groeide dankzij archiefonderzoek door Johan Withaar uit tot een editie met historische achtergronden.
De opgejaagden | Plaatselijk Belang Valthe | € 15,00
Bestellen: www.valthe.nl/cms/webshop.

Laatste nieuws