Lifestylemagazine over Noord-Nederland

Niet schaatsen maar wandelen: ontdek het Elfstedenpad

Gelukkig kunnen we de legendarische route ook zónder dik natuurijs afleggen, en wel met deze prachtige wandeltocht.

Tekst: Jolanda de Kruyf | Fotografie: Merk Fryslân - Marcel van Kammen, Adobe Stock

Als het kwik daalt versnelt bij veel Friezen de hartslag. Zou het? Kan het nog? In 2024 is het precies 27 jaar geleden dat de laatste Tocht der Tochten werd verreden en een uitzinnige massa op de been bracht. Gelukkig kunnen we de legendarische route ook zonder dik natuurijs afleggen. Met de boot of de motor, de racefiets én met de benenwagen. Dus laat je schaatsen maar thuis en trek de wandelschoenen aan.

Giet it oan? Na meer dan een kwart eeuw wachten is het optimisme zelfs onder de meest trouwe fans wel wat getemperd. Hun geduld wordt dan ook behoorlijk op de proef gesteld. Maar om toch een beetje dat Elfstedengevoel te krijgen, kun je altijd kiezen voor een alternatief. Want met het Elfstedenpad is een bijzonder fraai stukje Friesland niet alleen voor schaatsers, fietsers en watersporters, maar nu ook voor wandelaars ontsloten.

Meren, kliffen, dijken, polders, bossen en houtwallen trekken aan het oog voorbij van de langeafstandsloper, tijdens een meerdaagse wandeling van 283 (!) kilometer door de provincie. Nee, dat is niet de kortste – want de monstertocht over ijs beslaat 200 kilometer – maar wél de mooiste weg!

Het Elfstedenpad: in één ruk of per etappe

Met het Elfstedenpad – ook wel “de wandeltocht der wandeltochten” genoemd – zijn routemakers Johan Vellinga en Broer Adema erin geslaagd de befaamde Friese elf steden op een aantrekkelijke manier aaneen te rijgen. Meer nog dan om de steden zelf staan feitelijk het tussenliggende land en de verbindende paden centraal. Voormalige jaagpaden en kerkenpaden bijvoorbeeld, grasdijken en handelswegen, slingerpaadjes door de streek en soms ook, noodgedwongen, kaarsrechte stroken asfalt.

Als geoefende loper kun je de tocht natuurlijk in z’n geheel afleggen, maar de 16 etappes lenen zich ook prima om op afzonderlijke, mooie winterse dagen te verkennen. Wie geen haast heeft maakt er daarom liever een uitje van; knoop er ‘es een nachtje aan vast en je stippelt met gemak je eigen "elfstedenvakantie" uit. Wij kozen voor Sneek als bruisende finish- en startplaats voor respectievelijk etappe 2 en 3 op de route.

Dorp van melk en honing

Het traject van Mantgum naar Sneek zal een kilometer of 19 zijn. Het terpdorp Mantgum is klein in omvang maar groots qua allure én het heeft – behalve uiteraard een eigen kaatsvereniging, zoals veel dorpjes op de route – een treinstation, da’s praktisch voor de wandelaar die met openbaar vervoer reist.

Nog beter uitgerust uit de startblokken? Je kunt ook kiezen voor een nachtje in de B&B: Lyts Kanaän bijvoorbeeld, dat langs de doorgaande weg ligt, een straat gedomineerd door prachtige herenhuizen met bijpassende grote tuinen die tussen omstreeks 1860 tot 1910 gebouwd zijn door vermogende renteniers. De naam van de B&B verwijst naar de bijnaam van dit welvarende dorpje, klein Kanaän, het Bijbelse beloofde land van melk en honing. De notabele woningen zijn een lust voor het oog en de historische kern – beschermd dorpsgezicht – is er royaal mee bezaaid.

Dominees, notarissen, artsen, rentenierende boeren en ondernemers vormden van oudsher de dorpselite en lieten hier voorname, vrijstaande huizen neerzetten en onwijs grote tuinen aanleggen met monumentale bomen. Eén daarvan, in Engelse landschapsstijl, heeft een romantisch prieeltje met vijver ervoor en verkeert nog in originele staat.

Kerktoren op de terp

Verder in zuidoostelijke richting zie je de Mantgumermolen, een Amerikaanse windmotor, als een bijzondere blikvanger in het veld. Net als de kerktoren van Easterwierum die op een flinke terp staat in de buurtschap Tsjerkebuorren. Zowel de toren als de muur met het ijzeren hekwerk zijn rijksmonumenten. Aan de oostkant bevindt zich een opvallende bakstenen trap en daar tref je – getuige de opvallende schelp op hun rugzak – geregeld wandelaars die een compleet ándere langeafstandsroute afleggen, namelijk die naar Santiago de Compostela in Noord-Spanje. Dat is lopen van een ander kaliber.

Ook Boazum is een terpdorpje, ingeklemd tussen de oude Slachtedijk – de bijna 42 kilometer lange slaperdijk die dwars door het oude Friese district Westergo kronkelt – en de spoorlijn. Een prima pauzeplek als het gemoedelijke café annex dorpshuis geopend is: achter de gevel van een pleisterplaats als Boazumer Mjitte voel je je direct thuis. Ook hét toeristische infopunt in dit dorp dat over een oplaadpunt voor de e-bike beschikt en in andere, mildere jaargetijden kun je hier op het terras terecht.

Langs de Zwette

Kilometers lang loop je langs de Zwette (de Sneekertrekvaart), midden in een open weidegebied waar de terpdorpen elkaar in rap tempo opvolgen. Scharnegoutum, een eindje verder op onze route, is er ook zo een. Het enge dórp in Friesland waar de Elfstedentocht rechtstreeks doorheen voert heeft uiteraard ook een eigen kaatsvereniging, De Lytse Stuit. Waarom de inwoners in hemelsnaam de bijnaam sûkerfretters (suikervreters) dragen, blijft ons wandelaars helaas een raadsel en tot ver voorbij Scharnegoutum intrigeren. 

De Zwette is de waterverbinding tussen en Leeuwarden en Sneek en maakt deel uit van de Tocht der Tochten. De eerste dagtocht van het Elfstedenpad eindigt hier, in het watersportmekka van Friesland dat ook in de winter een bezoek waard is. Adresjes voor logies vind je in overvloed in en rond het levendige centrum, van hotel en pension tot knusse B&B of statig stadslogement.

Suikerbrood en Beerenburg

Sneek is met z’n vele pleinvullende terrassen (pak gerust een dekentje als je buiten wil zitten), mix van hippe en nostalgische horecabedrijven en ruime winkelaanbod lekker stads en intiem tegelijk. Alles goed beloopbaar. De wandelaar op doorreis heeft z’n eerste bestemming bereikt en koopt er droge worst of een stuk kaas voor in de rugzak – en misschien iets zoets uit Het Dropwinkeltje – en bij een keur aan bakkerszaakjes kan-ie terecht voor eigen variaties op het beroemde suikerbrood, kruidkoek en oranjekoek.

Voor een kloeke slok streekeigen Beerenburg – en dat mag na zo’n etappe bést – ben je welkom in de winkel van Weduwe Joustra. Of strijk neer achter glas, in een van die behaaglijke etablissementen waar je op adem komt van de winterkou. Er is nog tijd in overvloed om de stad met z’n iconen te ontdekken.

Suikerbrood

Museum met een ijszaal

Om in de sfeer te blijven: het Fries Scheepvaart Museum (aan Kleinzand in Sneek) is wel een must see voor Elfstedenfans. Vooral in de IJszaal, die een uitgebreide tentoonstelling herbergt over de schaatssport in Friesland, komen zij aan hun trekken. Lijkt misschien een vreemde ruimte, voor een scheepvaartmuseum? Maar niet als je bedenkt dat ook de bevroren waterwegen vroeger voor het nodige plezier – en soms praktisch gemak – zorgden.

Als het ’s winters stevig vroor, kregen de waterlopen een heel andere functie; de natuurlijke ijsvloer maakte het Friese achterland plotsklaps een stuk beter bereikbaar. Schaatsenrijders konden snelheid maken en waaiden met speels gemak “even” bij de familie aan, zelfs in het verre Holland, die normaal gesproken op minstens een dagreis afstand woonde.

Bovendien: als de vaarwegen bevroren waren konden schippers tóch geld verdienen door mee te doen aan de toen mateloos populaire kortebaanwedstrijden. ‘Wat veel mensen niet weten,’ zegt museumdirecteur Hester Postma, ‘is dat de Elfstedentocht in 1763 al eens verreden werd. Al in de 18de eeuw werden schaatswedstrijden georganiseerd waarvan wij nog bijzondere prijzen in huis hebben.’

Waterpoort stadsicoon

Achter de man op de gouden bol met zijn Hoorn des Overvloeds, een van de 11Fountains, pronkt de Waterpoort met z’n twee achtkantige torens – bouwjaar vermoedelijk 1492, tegelijk met de stadswal. Niet te missen in deze, op twee na grootste stad van Friesland. Ooit had het bolwerk een militaire verdedigingsfunctie, een poort die de toegang over water naar de stad afsloot als het moest.

Het is de enige van vier water- en twee landpoorten die bewaard gebleven is. Hét symbool van Sneek én van het skûtsjesilen natuurlijk dat zo’n grote rol speelt op dit water. De wedstrijden behoren tot het grootste zeilevenement op de Europese binnenwateren en vele honderden zeilers strijden jaarlijks een week lang in augustus om de overwinning. Nu is van al die reuring geen spoor te bekennen, in dit jaargetijde heeft zich een deken van rust over het spiegelgladde oppervlak gevlijd.

De Waterpoort in Sneek

Ambachtsstadje IJlst

Net als bij de entree van Sneek volgt het Elfstedenpad bij het verlaten van de stad – voor etappe 3 – het water weer. De Geeuw ditmaal, de brede verbinding met IJlst en van daaruit me andere steden als Bolsward en Workum. Tot diep in de 20ste eeuw was het hier een bedrijvig komen en gaan van beurtschepen, skûtsjes, melkschuiten en pramen. Zeilen in de wind, trekpaarden en mankracht en later ook stoomschepen vervoerden er lading en passagiers. Waterwegen als snelwegen van hun tijd dus. 

Aan de oever van de Geeuw staat De Rat, de laatst overgebleven houtzaagmolen van het schilderachtige ambachtsstadje IJlst. Stammen die liggen te wateren, het geluid van de draaiende wieken, het gestamp van de op- en neergaande zaagramen, de geur van vers gezaagd hout; ja, dit is een molen in bedrijf waar je terecht kunt voor een authentiek gezaagde plank en bezoekers zijn er op gezette tijden welkom om die levende geschiedenis met eigen ogen te aanschouwen.

Bij de entree van het stadje was de levensgrote beitel al opgevallen en aan de horizon van IJlst had je ook al de schoorsteen van Nooitgedagt kunnen zien uitsteken, de bekendste schaatsenproducent van tientallen werkplaatsen die dit stadje ooit telde. Een indrukwekkende collectie van Nooitgedagt – gereedschap, schaatsen natuurlijk, en speelgoed - vind je tegenwoordig onderdak in museum Houtstad IJlst, pal tegenover de molen.

Unieke overtuinen

Het langgerekte stadshart van IJlst is ronduit pittoresk te noemen. Belangrijkste reden zijn de overtuinen langs de Ee- en Galamagracht, omzoomd door leilinden, groen geschilderd hekwerk en bruggetjes. Het complete oude centrum is beschermd stadsgezicht. Geen wonder. Er is weinig verbeeldingskracht nodig voor een kleine tijdreis. De overtuinen liggen als een groen lint aan weerszijden van het water – bewoners moeten de straat oversteken om hun tuin te bereiken – en vormen een uniek verschijnsel in ons land. Dus daar is de bevolking maar wat zuinig op. 

Het contrast met de hierop volgende asfaltwegen door kaal polderland is groot en de samenstellers van het Elfstedenpad moeten het zelf ook ruiterlijk bekennen: ‘Buiten IJlst begint niet het aantrekkelijkste traject. Doorgaande wandelpaden zijn hier simpelweg niet; je zou een polsstok nodig hebben om de waterloop al ljeppend te kunnen volgen.’

Langs onze route die het lintdorp Jutrijp en Hommerts passeert, staat nog wel een aardig Mariakapelletje en een wegwijzer die aangeeft dat het nog precies 2653 kilometer lopen is naar Santiago de Compostela. ‘En dat,’ aldus de routemakers, ‘terwijl zelfs Sloten in dit open land al heel ver weg lijkt.’ Onwillekeurig denken we terug aan de arme drommel met bepakking die we gisteren op de kerkterp in Tsjerkebuorren tegen het lijf liepen. Die heeft nog een lange weg te gaan.

Houtzaagmolen De Rat in IJlst

Een drijvend eiland

Het land mag leeg en verlaten zijn, het kan je ook bekoren, weten de routemakers van het Elfstedenpad: ‘De liefhebbers van lage horizonten en hoge luchten kunnen hun hart ophalen.’ Toch zijn we verdraaid blij als Woudsend opdoemt, waar het labyrint van stegen je lijkt te omarmen en vertrouwde kerktorens en molenwieken de skyline kleuren. Alweer een beschermd dorpsgezicht aan het vaarwater, de Ee (of Ie) waarover in de strengste winters het peloton Elfstedenschaatsers passeert. De rijders zijn zo’n 35 kilometer onderweg als ze Woudsend aandoen. 

De oorspronkelijke naam van het dorp is Driuwpôlle en dat klinkt als pure poëzie: een “drijvend eiland” dat in de Middeleeuwen ontstond zoals destijds zoveel kleine, nieuwe nederzettingen. Water was alom en dat maakte het gebied moeilijk toegankelijk. Zodoende werden veengronden ontgonnen en her en der terpjes opgeworpen, zodat er bewoning mogelijk was en mensen er vee konden houden. 

Onder het kerkgewelf

Ook Woudsend ontsproot op die manier aan het Friese land, in 1337, als mini-terpje omringd door water. Een kleine, agrarische nederzetting in een nog woeste provincie. In datzelfde jaar stichtten paters hier hun karmelietenklooster; de fundamenten liggen er nog. De huidige kerk, de Karmel, is een pláátje in het straatbeeld en werd niet voor niets al eens verkozen tot mooiste van heel Friesland.

Meer zien van kerken? ’t Ponkje (Fries voor kerkzakje) is een alleszins stemmig restaurant dat huist onder het houten tongewelf van de doopsgezinde kerk. Mooi, want veel van het interieur bleef bewaard, dus zit je hier culinair te smullen tussen de kerkbanken, kraak, orgelgaanderij en het klankbord van de preekstoel.

Historisch centrum van Balk

Langs De Luts

Het einde van deze dagetappe (in totaal 23 kilometer) wacht in Balk, met het riviertje De Luts dat als hoofdslagader door het dorp voert en waaraan de meeste historische pandjes van dit beschermde dorpsgezicht zij aan zij staan. Dat dorpje heeft eigenlijk iets kleinstedelijks. In andere seizoenen is dit een levendige watersportplek waar je over de hoofden kunt lopen; je huurt er een zeilboot of elektrische sloep en vaart zo het Slotermeer op.

De Friese meren liggen letterlijk aan je voeten. Die ligging en het karakter van Balk zouden een van Neerlands grootste dichters hebben geïnspireerd. De grootvader van Herman Gorter was predikant in Balk en zodoende logeerde de jonge knul geregeld in de doopsgezinde pastorie aan De Luts. Een nieuwe lente en een nieuw geluid is de eerste regel uit zijn beroemde gedicht Mei en de basis van dát vers ligt volgens overlevering hier, in hartje Balk. In het centrum staat een wat dromerig beeldje van Gorter. Op deze koude, gure dag mijmeren ook wij graag van een nieuw seizoen. Laat die lente maar alvast voorzichtig komen…

Dit verhaal verscheen eerder in Noorderland-editie 2022-2.