Lifestylemagazine over Noord-Nederland

Idylle op de hei: op pad met de Drentse schaapherder

Noorderland liep een dag mee met de grootste kudde van het Balloërveld.

Heidschnucken Lüneburger Heide

Tekst: Ankie Lok | Fotografie: Max de Krijger, Adobe Stock

Wolkenluchten, paarse heide en wat maakt het plaatje compleet? Het Drentse heideschaap natuurlijk. De Herders van Balloo weiden elke dag hun kudde – de grootste van dit ras in ons land – op het Balloërveld. Idyllisch én bijzonder, want het Drentse heideschaap is een zeldzaam ras, vertelt herder Marianne Duinkerken op een zonnige herfstochtend.

Laten we het maar ronduit toegeven: clichés bestaan, en wat kunnen ze mooi zijn. Het Drentse heideschaap op een paars bloeiend veld bijvoorbeeld. Hét ansichtkaartje van Drenthe; zeldzaam geworden, dat wel. En dan niet geposeerd of in scène gezet, maar een alledaagse werkelijkheid. Dat is het voor herder Marianne Duinkerken.

Elke dag leidt ze haar kudde over het Balloërveld, zeven dagen per week. Met haar hoed en hoge laarzen – tegen de adders, die zich schuilhouden in de heidepollen – is ze voor passerende fietsers een bekende verschijning.

Vanochtend schijnt de zon. Heide en zand liggen al op te warmen en in de stilte van de herfst vertraagt de pas vanzelf. Voor Marianne is het haar natuurlijke gang: ‘Ik loop nooit snel.’ De schapen hebben de nacht buiten op het veld doorgebracht, daar wandelen we op ons gemak naartoe. Bordercollie Lena volgt op een afstandje, maar nooit ver.

Al meanderend over het veld komt het gesprek op gang, over de schapen en hun karakter, maar ook over wat het betekent om herder te zijn, over dit rijke gebied met zijn grafheuvels en karrensporen, over natuur en de wijde wereld, over hoe groots een klein stukje Drenthe kan zijn.

Altijd buiten

‘Elke dag is anders,’ zegt Marianne over haar werk in de buitenlucht. ‘De dieren hebben hun dynamiek, er zit een dynamiek in mijzelf en dat levert een wisselwerking op. Het weer is ook heel bepalend. Er zijn dagen dat ze alleen maar onder de bomen willen liggen, maar er zijn ook dagen dat ze blijven rennen. En alles wat daartussen zit.’

De kudde telt momenteel 400 schapen van verschillende generaties, variërend van enkele maanden oud tot 12 jaar. Ze ontstond al meer dan 40 jaar geleden, in 1981, onder de hoede van Albert Koopman, een ‘echte Drent’, aldus Marianne.

Zelf leidde zij toen nog een heel ander leven. Geboren in Meppel woonde ze vervolgens in Haarlem en Den Haag en ze had een eigen bedrijf in Gouda. Ook zat ze jarenlang op de wilde vaart en voer ze de wereldzeeën over.

Op het Balloërveld nam haar leven plotseling een andere wending. ‘Ik was op bezoek bij familie en was hier aan het wandelen. Ineens kwam er een man uit de struiken die vroeg of ik een ram had gezien. We raakten aan de praat en dat bleek Albert, en van het een kwam het ander. Hij kwam letterlijk op mijn pad.’

In 2001 stapte ze bij het bedrijf in. Albert en Marianne werden een koppel maar zijn inmiddels weer louter zakelijke partners. De eerste jaren waren een soms harde leerschool voor Marianne. Ze hadden maar liefst 1.000 schapen en nog geen hond. ‘Het was keihard werken om de kudde en het veld te leren kennen.’

Tijd om stil te staan bij haar keuze voor het schaaphoeden was er in die beginperiode niet. Nu heeft ze daar wel haar gedachtes over. ‘Ik denk dat de oorsprong ligt bij mijn vader, die heeft een zaadje bij mij geplant. Hij was priester in de nieuw-apostolische kerk.

Op de zondagsschool werd voorgelezen uit De goede herder, een blad met prachtige illustraties. Dat vond ik zó mooi.’ Haar interesse in religie behield ze; in Leiden studeerde ze wereldgodsdiensten. ‘Als herder komt alles wel zo’n beetje bij elkaar. Het zwerversbestaan, altijd buiten zijn, het avontuur, zoals ik dat aan boord had, maar ook creatief en dienend zijn.’

Schuren tegen boomschors

Tussen de berkenbomen hangt een wit plukje wol in de takken: we komen in de buurt. En ja hoor, daar staan ze, in een afgezet stukje veld. ‘Koi-koi-koi!’ roept Marianne. ‘Gaan jullie mee? Kóóóio, kom!’ De schapen hebben weinig aansporing nodig. Zodra het hek opengaat komt de kudde in beweging, een sierlijke massa die maar één kant op wil: naar de vrijheid. ‘Mooi hè. Het is net een school vissen.’

En daarmee doelt Marianne ook op hun eigenzinnige karakter: ‘Een schaap is geen dier waar ik een liefdesrelatie mee opgebouwd krijg. Ze zoeken elkaar, ze kennen mij wel, maar tegelijkertijd trekken ze zich niks van mij aan. Een paar dagen geleden nog, toen waren ze zó wild. Dan worden ze onuitstaanbaar. Maar dan laten ze zich ook op hun allermooist zien, met een trots, een fierheid en een ongenaakbaarheid. Dat vind ik nog altijd interessant, om zo’n dier vooral zichzelf te laten zijn. Hoe zorg ik voor goede omstandigheden, waarbinnen ze die onstuimigheid mogen behouden?’ De hond laat Marianne daarom alleen in actie komen als het echt nodig is.

De schapen zetten koers naar een strookje bomen. Lekker in de schaduw, eventjes schuren tegen de boomschors en knabbelen aan laaghangende scheuten. Op de heide had Marianne het al gezien: ‘Er komen zó veel eikels dit jaar! Als die straks beginnen te vallen, kun je je lol op. Daar zijn ze gek op en ze krijgen er energie van. Dan zijn het net dolle stieren en hollen ze alle kanten uit, van de ene eikenboom naar de andere, dan is er echt geen kuddeverband meer en heb ik maar één zorg: hoe houd ik ze bij elkaar?’

Grafheuvels, akkers en karrensporen

Over de schapenruggen heen dwaalt de blik af naar de verte. Marianne: ‘Archeologisch is dit gebied heel interessant. De heuvels die je daar verderop ziet, zijn grafheuvels, en daar liggen de celtic fields, akkers uit de prehistorie. Van Coevorden naar Groningen liep een handelsweg, daarvan zie je nog middeleeuwse karrensporen. En op de Galgenberg werden misdadigers opgehangen.’

Zandverstuivingen en leemlagen zijn dan weer overblijfselen uit de ijstijden. Op de hoger gelegen heide is het droog, daaromheen liggen vernatte graslanden en kronkelen beken zoals het Loonerdiep en het Gastersche Diep. Deze behoren tot het stroomdal van de Drentsche Aa, dat deel uitmaakt van Natura 2000. ‘En vergeet de brinkdorpen niet. Veel is hier vanuit de oorsprong in stand gebleven, dat maakt het zo bijzonder.’ Aan de horizon wijst een punt omhoog de hemel in: de kerktoren van Rolde.

Het is meer dan logisch dat in dit gebied een kudde Drentse heideschapen rondstapt: ze zijn stevige natuurbeheerders. Met hun dieet van gras, jonge boompjes, heide en kruiden houden ze het veld open. Marianne zorgt ervoor dat ze de gewenste planten, bijvoorbeeld orchideeën en gentiaan, juist ontzien. Op hun ranke poten weten ze goed de weg te vinden in de ruigten.

Andere schapenrassen zijn beduidend minder geschikt voor zo’n buitenbestaan. ‘Een Texelaar zou hier overspannen en oververmoeid raken, en vermageren. Maar hoe schraler je Drentse heideschapen houdt, hoe mooier ze worden. Een strenge winter? Ja hoor, dan krijgen ze prachtige vachten. Laat het maar vriezen en sneeuwen.’

Drentse schaapherder

Keurmeesters

Het Drentse heideschaap is een “oerras”: afstammelingen van de eerste schapen die duizenden jaren geleden het Drentse landschap betraden. Tegenwoordig is het bovendien een zogenoemd zeldzaam huisdierras. Het aantal ooien ligt op ruim 4.300, de soort geldt als kwetsbaar maar stabiel.

De Herders van Balloo zijn een erkend fokcentrum. Keurmeesters inspecteren elk jaar de kudde en de ooien en rammen die Marianne en Albert selecteren voor de fokkerij. ‘Goedgekeurde dieren mogen een aantal dekkingen doen,’ vertelt Marianne, ‘dat wordt allemaal bijgehouden. Gedekte ooien gaan vervolgens terug naar de kudde. Ze mogen lammeren in het veld.’

De rammen staan door het jaar heen in aparte buitengebieden, verspreid in Drenthe. Uit de lammeren selecteren Marianne en Albert rammetjes voor de vacht of voor de fokkerij. De andere worden na drie à vier jaar geslacht voor het vlees. Een ambachtelijke slager maakt er hammen en salami’s van (indien voorradig verkrijgbaar bij De Kaaswaag in Assen).

Ondertussen laat de kudde op het Balloërveld de schaduwrijke boompartij weer achter zich en trekt door, het open veld op. Trappelende hoeven en blatende lammeren verbreken de stilte. ‘Even opletten hoor,’ zegt Marianne. ‘Als ze zo blèren, dan zijn ze wat van plan. Ze willen hier nog weleens naar de overkant, maar dat mag niet.’ Verbazingwekkend luid en beweeglijk zijn ze, op die ranke poten, en Marianne kijkt alvast uit naar de klanken van de herfst: ‘Dan hoor je ze over de gevallen bladeren lopen.’

Stoere wol

In de zon laten de dieren zich goed bekijken: langharige vacht, lange staart, maar elk schaap is anders getekend. Het ene overwegend wit, het andere met donkere vlekken, weer een ander wit met een karamelkleurige kop, oftewel roodvos. Aan de ‘karakterkoppen’ zie je het al, vindt Marianne: ‘Het is echt geen suf beest. En met hun nog korte vachten – ze worden elk jaar na de langste dag geschoren – zien ze er momenteel héél zacht uit. Alsof ze van fluweel zijn.’

Die vachten worden verwerkt in het wolatelier van de Herders van Balloo, bij de schaapskooi naast het veld. Elk jaar na het schaapscheren staan spinsters en weefsters aan een lange tafel de vachten te sorteren, op kleur en geschiktheid voor bijvoorbeeld spinnen of vilten.

Goede wol vergt een hoop werk, legt Marianne uit. ‘Ik let erop dat de dieren gezond blijven, want hoe gezonder de dieren, hoe mooier de vachten. En in de fokkerij probeer ik veel kleurenslag in de wol te brengen.’ Weefsters en kunstenaars verkopen hun artikelen in het wolatelier. Daar valt echt op hoe ruw en stoer de wol van het Drentse heideschaap is. Voor een zachter resultaat wordt de wol soms gemengd met alpacawol.

Drentse schaapherder

Portfolio’s van de herder

In de 21 jaar dat Marianne hier rondloopt, gleed ze door verschillende periodes. En rampen. In 2011, toen ze het werk met de kudde had leren beheersen, de wol- en vleesverkoop waren opgestart en ze er een hond bij had genomen, werd er brand gesticht. De schaapskooi ging in vlammen op, de hond overleefde het niet. Maar de schaapskooi werd herbouwd en Marianne ging ernaast wonen.

Een televisie heeft ze niet, haar dag begint om 7 uur ’s ochtends met drie kranten. Ze leest graag en houdt van schrijven, borduren en fotograferen met haar analoge camera. Die hobby's resulteerde in het boek Balloërveld, met foto’s en een essay. Uiteindelijk wil ze tien portfolio’s samenstellen. ‘Met gedachtes en overpeinzingen, over wat en wie me geïnspireerd hebben, over hoe het veld en de maatschappij veranderen. Het is zo moeilijk om je voor te stellen hoe een herder leeft. Daar wil ik met deze documenten een indruk van nalaten.’

Boven ons bereikt de zon zijn hoogste punt, in een hemel die nog weidser lijkt dan die in Groningse polders. Vreemd, hoe zo’n klein, beschut stukje Drenthe zo’n ruimte kan geven. ‘Klopt,’ zegt Marianne. ‘Ik heb nooit het idee dat ik op een beperkt postzegeltje aan het werk ben. Je bent hier in het universum.’

Dit verhaal verscheen eerder in Noorderland 2022-7