In de bres voor de jeneverbes

Al eeuwenlang staat de jeneverbes bekend om haar geneeskrachtige werking. Helaas is deze oerstruik een zeldzame verschijning geworden, zelfs in Drenthe, en op de Rode Lijst voor beschermde soorten gezet.
jeneverbes

Dit artikel verscheen in Noorderland 2016-3.

Kloek jenevertje, jeneverbessenthee, olie, badschuim of geurkaarsen; wie kent die kruidige geur niet? Al eeuwenlang staat de jeneverbes bekend om haar geneeskrachtige werking. Helaas is deze oerstruik een zeldzame verschijning geworden, zelfs in Drenthe, en op de Rode Lijst voor beschermde soorten gezet. Gelukkig kan dit stukje natuurlijk erfgoed op steun rekenen.

Het is een prachtige avond op de heide van de Zeegser Duinen. De zon verdwijnt achter de zandheuvels. Her en der staan grillige jeneverbesstruiken waar de laatste zonnestralen doorheen schijnen. Je herkent ze aan hun opvallende vormen; van slank tot hoog en breed uitgegroeid of laag bij de grond. Een typisch Drentse aanblik. De jeneverbes is op deze zandgronden dan ook niet weg te denken. Toch gaat het de laatste jaren niet goed met deze oerstruik, en staat hij op de Rode lijst. Op één of andere manier komen er maar weinig of zelfs geen jonge struiken meer bij en zijn de huidige, grote exemplaren al zeer oud. Zoals deze in Zeegse, die met een hoogte van wel 7 meter en een breedte van 20 meter een van de grootste in heel West-Europa moet zijn. De struik wordt geschat op een leeftijd van 80 tot zelfs honderden jaren oud. Ooit zullen deze oude struiken verdwijnen en als er dan geen nieuwe voor in de plaats komen, dan is het gedaan met de Drentse jeneverbes. Verdwijnt dit mooie erfgoed straks voorgoed?

Op een eenzaam akkertje

Al in de tijd van de jagers en verzamelaars, tienduizend jaar voor Christus, groeide de jeneverbes hier in Drenthe. Het zag er toen zo uit: door het oerrund, het edelhert en het wild zwijn was er een half open landschap met afwisselend dicht bos, struweel en open ruimtes. Later, toen de eerste landbouwers kwamen, kreeg de struik nog meer ruimte. De landbouwers verbrandden stukjes bos om er een akkertje te maken en als die niet meer vruchtbaar genoeg was, maakten ze ergens anders een nieuwe. De jonge struikjes ontkiemden goed op die verlaten, kale akkertjes. Ook waar zandverstuivingen ontstonden bij schapendriften kwam de jeneverbes op. Maar toen er kunstmest kwam en steeds meer heide werd ontgonnen, kreeg de plant het zwaar. De struik groeit namelijk alleen op arme zandgrond en die verdween stukje bij beetje. 

Waggelend spook

Toch zijn er door de eeuwen heen zandgronden bewaard gebleven. Alleen waren die velden ooit veel weidser dan die kleine heide bij Zeegse. Nu het hier donkerder wordt, kun je je ineens goed voorstellen hoe de eenzame reiziger, koopman of knecht zich moet hebben gevoeld; ze reisden te voet en staken dit heideveld over. Jan van Ginkel, schrijver van het boek “Jeneverbes”, vertelt: ‘In de schemering liep zo’n knaap over de hei met geen licht of geluid in de verte. De mist trok op en overal ritselde het. Een schelle kreet van een uil klonk door de duisternis. In die tijd werd heilig geloofd in de “Witte Wieven”, de geheimzinnige medicijnvrouwtjes van het dorp. De goede man was dan ook enigszins huiverig. Vooral als er ineens een gestalte opdoemde uit de mist, die ook nog eens bewoog. De jonge kerel wilde dapper zijn, maar ondertussen stond het zweet hem in de klompen en hij maakt dat ie thuiskwam. Eenmaal zwetend aangekomen, was hij natuurlijk geen aansteller en vertelde hoe hij de Witte Wieven dapper van zich had afgeslagen. Niet wetende dat die gestalte gewoon een “waggelbosje” was: een jeneverbesstruik.’  Want wiegend in de wind lijkt de struik bijna op een waggelend spook. 

“Pandabeer” van Drenthe

In 2004 luidde onderzoeksinstituut Alterra de noodklok en leek het werkelijk een spookverhaal te worden voor de jeneverbes. De boodschap: het ging slecht met de struik in Nederland. Als we niets deden, zou hij binnen tien jaar verdwijnen. Oorzaak was dat er te weinig jonge planten bijkwamen en de vitaliteit van oude exemplaren was erg slecht. Deze mededeling sloeg in Drenthe in als een bom en ging een aantal mensen aan het hart. Daarom werd het Jeneverbesgilde opgericht door Jan Tuttel, Jan van Ginkel en Jan Grotenhuis. Samen met vrijwilligers, natuurbeheerders en wetenschappers sprong het gilde in de bres om – zoals ze het zelf noemden – ‘de pandabeer van Drenthe te redden’. Het Jeneverbesgilde nam de struik in Drenthe onder de loep en dit gaf beter nieuws: de oude struiken zijn in goede conditie, alleen komen er weinig jonge struikjes bij. 

Het Jeneverbesgilde helpt

‘We waren opgelucht dat het minder dramatisch was dan uit het rapport naar voren kwam; het betekende dat we nog wat konden doen,’ vertelt Albert Kerssies van het Jeneverbesgilde. ‘Waarom er weinig jonge struiken bijkomen, weten we nog steeds niet. Het kan zijn dat de jonge besjes niet goed ontkiemen door bijvoorbeeld teveel bodembegroeiing, maar het kan ook komen door verzuring.’ Het gilde doet er alles aan om de bedreigde struik te helpen. Zo zijn er speciale brigades van vrijwilligers die de jonge struikjes een handje helpen door gras, mos en algen weg te halen. Ook kappen ze bomen als berk en eik die voor teveel schaduw zorgen. Bovendien doet het gilde samen met de Universiteit Groningen onderzoek. Kerssies: ‘Zo hopen we erachter te komen wat we zoal kunnen doen, zodat nieuwe struiken gaan groeien. Want als Drent in hart en nieren wil ik er niet eens aan denken hoe Drenthe eruit ziet zonder de jeneverbes. Ik geef dit stukje erfgoed graag door aan de volgende generaties.’ 

Gelukkig zien de cijfers er vooralsnog goed uit en kunnen we blijven genieten van de geurende bes, haar smaak en geneeskrachtige werking. Maar bovenal: van de mysterieuze verschijning op de Drentse hei. 

Laatste nieuws