De witte wereld van '79

In de nacht van 12 op 13 februari 1979 bedelft een furieuze sneeuwstorm de kustrand van Noorderland onder een ongekend pak sneeuw.

Dit artikel verscheen in Noorderland 2015-1.

Tekst: Wim Bras | Fotografie: Jan Bolt & Het Sneeuwboek (Uitgeverij Profiel Bedum, 1979)

In de nacht van 12 op 13 februari 1979 bedelft een furieuze sneeuwstorm de kustrand van Noorderland onder een ongekend pak sneeuw. In de dorpen, van Roodeschool tot Harlingen, reiken de sneeuwduinen tot aan de dakgoten. Nog nooit zag Noorderland zo wit. En nog nooit lag het zo afgesloten van de rest van de wereld. 

De voorafgaande wintermaanden is het weer al bar en boos in het Noorden. Kenners spreken van een “vuile winter”. Periodes van hevige vorst en sneeuwval worden onregelmatig afgewisseld door plotselinge dooi, die eigenlijk nooit doorzet. Om de haverklap zijn de noordelijke wegen en straten spekglad vanwege de ijzel. Begin februari heeft iedereen er wel zijn bekomst van. De lucht lijkt gelukkig ook wat te klaren. Maar dat blijkt schijn, het ergste moet dan nog komen.
In Uithuizermeeden kent iedereen Jan Bolt en Jan Bolt kent weer iedereen; Jan is postbode en weeramateur. Het weer heeft hem in zijn jeugdjaren in de greep gekregen, de tijd dat hij door Canada zwerft om zijn geluk te beproeven als “lumberjack” en wat al niet. Voor even terug in Groningen ontmoet hij Tini en de liefde op het eerste gezicht betekent meteen het einde van zijn avonturen in Canada, maar niet voor zijn interesse in het weer. Begin jaren zeventig helpt Jan bij de oprichting van de Vereniging voor Weerkunde en Klimatologie, een club van gelijkgestemden met passie voor het weer. Bij het deftige KNMI van die dagen wordt verdeeld aangekeken tegen de dilettantenvereniging. De oude garde van De Bilt moet niets van de weeramateurs hebben, maar de opkomende generatie meteorologen ziet de voordelen van de extra berichten uit het veld. Vooral bij extreme weersomstandigheden kan de KNMI-weerkamer elke snipper informatie gebruiken. 

Spekglad

In de loop van de jaren zeventig verwerven de amateurs Jan Pelleboer uit Roden en Hans de Jong uit Gorredijk landelijk bekendheid met hun weerpraatjes. De uitbundige Pelleboer is met zijn Gronings accent een gevierde verschijning op de Trostelevisie, De Jong doet wat ingetogener kond van zijn bevindingen voor de NCRV. Beiden onderhouden contact met Jan Bolt voor de weerssituatie op het Hoge Land. Ook op de maandag van 12 februari 1979 als grote hoeveelheden onderkoelde regen de wegen in de Noordoosthoek in ijsbanen veranderen. Dinsdagmorgen vroeg ijzelt het nog steeds, alles is spekglad, bovenleidingen knappen onder het gewicht van ijs, het treinverkeer stokt, de regiobussen rijden niet uit. 

Jan belt met de omringende PTT-kantoren wat zij met de post doen. ‘Wij gaan er niet op uit, te gevaarlijk,’ luidt het antwoord. Jans baas is echter een dienstklopper en eist van zijn bezorgers dat zij op pad gaan. Een collega zal die morgen beide polsen breken, maar dat komt Jan pas later te weten. ‘Het was waanzin, fietsen ging onmogelijk. Samen met Tini heb ik met de auto de post rondgebracht, maar vraag niet hoe.’ Met een wiel in de berm glibberen ze over de landweggetjes naar Oosternieland en Zijldijk, waar wordt opgekeken tegen zoveel plichtsgetrouwheid. In de namiddag begint het ook nog eens te sneeuwen en zetten Jan en Tini een punt achter de helse tocht; een deel van Roodeschool zal van post verstoken blijven. Die avond blijft het sneeuwen en wakkert de gemene wind uit het Noordoosten verder aan, de temperatuur zit dan al ver beneden het vriespunt. Jan duikt vroeg zijn bed in om er de volgend ochtend op tijd bij te zijn.

Witte wand

Dan breekt de 14de februari aan, Jan staat om vijf uur al naast zijn bed. Als hij de deur opentrekt om naar zijn weerhut achter in de tuin te gaan, staat hij oog in oog met een sneeuwduin van drie, vier meter hoog. Een stijf bevroren witte wand; hij kan het huis niet uit. De windmeter op het dak geeft windkracht 8 aan, met af en toe een stoot van 10. Vanuit het zolderraam ziet hij hoe de wind de sneeuw voortjaagt, hij moet terstond het KNMI bellen. Aan de lijn komt Joop den Tonkelaar, de allereerste weerman op de Nederlandse televisie. ‘Zo’n zelfingenomen meteoroloog die meende dat je het weer aan academici moest overlaten,’ bromt Jan. Hij doet zijn verhaal, maar Den Tonkelaar gelooft er geen barst van. ‘Ach jullie amateurs, jullie verzinnen maar wat.’ 

Geen woord over het voortstuwende sneeuwfront op de radio bij de land- tuinbouwberichten van half zes. Jan is des duivels. Hij belt Pelleboer, die reageert in eerste instantie verbaasd. In Roden is het nog boven nul met een matig zuidwestelijk windje, maar hij kent Jan als een betrouwbare bron en zal de toestand aan de kust melden. De Jong uit Gorredijk is al op de hoogte als Jan opbelt, die heeft juist een telefoontje gekregen uit Dokkum waar het net zo te keer gaat als in Uithuizermeeden. Beide weeramateurs waarschuwen voor de extreme weersomstandigheden in het nieuws van zes uur, het KNMI  doet nog steeds alsof er niets aan de hand is. Een belletje naar de PTT leert dat de posttrein bij Sauwerd in de sneeuw is vastgelopen. Dan eindelijk om halfzeven meldt de weerkamer van het KNMI zich bij Jan. Niet Den Tonkelaar, maar een van de jongere meteorologen. Excuus, en van Rijkswaterstaat heeft het KNMI al het een en ander vernomen, maar misschien kan meneer Bolt de situatie nog wat verder toelichten, zijn ooggetuigenverslag komt dan in het nieuws van zeven uur.

Uitgelaten

Die woensdag blijft het sneeuwen en de noordoostenwind neemt verder toe. Jan noteert – telefoon bij de hand – voluit kracht 9, neigend naar 10. Het vriest tien graden onder nul. Inmiddels ligt heel Noord-Nederland gedekt onder een witte laag, maar de waddenrand spant de kroon. Sommige noordelijke dorpen in Groningen en Friesland raken compleet geïsoleerd van de buitenwereld, zo ook Uithuizermeeden. Als het in de middag ophoudt met sneeuwen, graaft Jan zich een weg naar buiten. Op de vlakkere plekken heeft de moordende wind de sneeuw weer meegenomen en daar treft hij zijn dik ingepakte buren. ‘De kinderen joelen, iedereen praat met elkaar en staat te wijzen. Overal waar maar iets uit de grond steekt, hebben de sneeuwduinen zich opgehoopt, enkele met hoogtes van over de zes meter.’ Maar bij alle uitgelatenheid komen ook andere berichten aan het licht. Dorpsbewoners die botbreuken hebben opgelopen door de gladheid, kunnen niet naar het ziekenhuis. De huisarts spalkt hun verwondingen zo goed en zo kwaad als het gaat. Voor het huis van de Bolts landt een helikopter van de luchtmacht om een nierpatiënt op te halen voor dialyse. En er waart het gerucht dat een zoekploeg een vermiste jongen doodgevroren langs de spoorlijn bij Roodeschool heeft gevonden. Later zal blijken dat het bericht op waarheid berust.

Witte wereld 

Op donderdag neemt de storm geleidelijk af. Met hun trekkers en shovels maken de boeren van het dorp de straten naar de winkels enigszins vrij. Buren vragen aan elkaar of ze nog wat nodig hebben, de melkboer vent uit op de tractor. Wie geen brood meer weet te bemachtigen bakt pannenkoeken, de kinderen vinden het niet erg. Ondertussen zijn vanuit Drenthe militairen op weg om de spoorlijn vrij te maken. Jan besluit met zijn vriend Gerard Bolhuis tot een gewaagde expeditie buitenuit, fototoestel mee, de mannen willen het besneeuwde landschap vastleggen. Kleine stukjes fietsend, dan weer lopend, maar vooral ploeterend, volbrengen de twee de tocht langs Uithuizen en Oosternieland. Daartussen een witte wereld zover de einder reikt, bij tijd en wijle tolt het hen voor de ogen. Al dat wit werkt begoochelend. 

Op vrijdagmiddag bereikt de ploeg sneeuwruimende militairen Uithuizermeeden, tegen de tijd dat de posttrein het station aandoet loopt het al tegen vijven en is het donker. Met dochters Heidi en Monique op de slee maakt Jan alvast een eerste bezorgronde, de sorteerkasten puilen uit. De zaterdagmorgen daarop is het een drukte van jewelste op het postkantoor, hongerig naar het nieuws komen mensen zelf hun kranten ophalen. Bewoners uit de gehuchten Zijldijk en Oosternieland hebben de afstand naar het dorp te voet afgelegd. De post voor hun buren willen ze ook wel gelijk meenemen. ‘Dat kan helemaal niet’, protesteert de chef nog. Maar ditmaal negeren Jan en zijn collega’s het dienstbevel en delen de bundels uit. ‘Nood breekt wet,’ vindt Jan. 

Dooi

In het weekeinde, als langzaamaan de toegangswegen weer vrijkomen, krijgt Jan een telefoontje uit De Bilt. Een clubje jonge honden van het instituut is wel benieuwd hoe het er daar in het Noorden uitziet, zou Jan hen maandag willen rondleiden?  Dat wil Jan wel en hij toert de hele noordrand van Groningen en Friesland met ze af. ‘Die mannen hadden de dag van hun leven. Dat tochtje heeft tot een omslag in de weerkamer geleid. Sindsdien worden weeramateurs serieus genomen.’

Die maandag zet ook de dooi in. Uithuizermeeden komt nog een week onder water te staan, omdat het dooiwater nergens heen kan. De sloten lopen over en de stijf bevroren ondergrond neemt niets op. Jan moet te voet door de opdooi, smeuïg ijs waarin elke stap wegzakt. ‘Maar dat kon niet anders. Als postbode betaalde je in de tijd ook de AOW en de kinderbijslag uit. De mensen in het buitengebied zaten al een week op hun geld te wachten.’ Tegen die tijd was de betoverde witte wereld van het Noorden verworden tot een zompige grijze brij.

Laatste nieuws