Sprokkelen, zagen en zweten in het Kuinderbos

Tekst: Jolanda de Kruyf | Foto: Jolanda de Kruyf, Staatsbosbeheer, iStock

Jongens, wie port het vuur op? Chef Kachelhout heeft ’t er maar druk mee. Voordat de boel een beetje behaaglijk knappert, draaien de spierballen overuren. Sprokkelen, zagen, kloven, sjouwen, stapelen. En dan die gulzige vlammen voeden met nieuwe brandstof. Yep, ‘t is écht een ding: met je bijl en blote handen zo’n geruststellende voorraad kachelhout versieren, voor een winter lang stookplezier.

‘Het is hartstikke gezond en leuk werk én je hebt geen sportschool meer nodig,’ zegt de boswachter. ‘Daar betaal je geld om je in ’t zweet te werken, dit levert je geld op.’ Harco Bergman. Zelf ook zo’n ruwe bolster. Eén oorbel onder een bos wilde krullen. Klooft eigenhandig – pak ‘m beet – ‘10 kuub hout per jaar,’ want ‘dooie dingen zijn mij niet de baas.’ Ha!

Harco woont buiten, heeft alle ruimte om huis voor een flinke opslag, zodat ie nooit zonder komt te zitten als het kwik daalt. ‘Ik ben een échte houtstoker, heerlijk! De uitdaging voor mij is echt om de cv zo min mogelijk aan te hebben.’Grijnst: ‘En als de kachel thuis níet brandt, nou, dan hoor ik het wel van mijn vrouw.’



Februari Houtmaand
De houtkachel of open haard. We krijgen er geen genoeg van als Koning Winter met straffe hand regeert. Maar waar komen onze handzame blokjes vandaan? Van over de landsgrens, grotendeels, en uit de Nederlandse Staatsbossen. En wat, als we jammerlijk genoeg niet gezegend zijn met zo’n man die zelf zaagt en klooft? Dan biedt de handel uitkomst. Adresjes te over waar je gedroogde, gekloofde stukken per hele kuub op de kop kunt tikken of – als je een zeer sporadische stoker bent – in zo’n netje bij bouwmarkt of benzinepomp koopt, voor één avond vuurtje stoken.

Kijk, da’s niks voor Harco Bergman. Selfmade stoker. Die gaat liever voor het grote werk. Hij organiseert niet één, maar zelfs twee kachelhoutdagen per kalenderjaar in het Kuinderbos; in oktober en in februari. Eind 2016 is hier al met man en macht geoogst en een slordige 6.000 kuub gezaagd. Een deel daarvan is bestemd voor “houtmaand” februari. ‘Op één dag verkopen we dan 120 tot 150 kuub hout,’ vertelt Harco. Essenhout veelal, maar ook eik en beuk, in 2,5 meter lange stukken. Eigenlijk is dát hout pas stookrijp in de winter erop. Droogtijd is noodzaak. 

We duiken het Kuinderbos in, één van de jongste bossen van ons land (aangeplant tussen 1947 en 1953), geworteld op kakelverse poldergrond, op de bodem van de voormalige Zuiderzee. Daar zijn her en der bomen met milieuvriendelijke, fluorescerende verf geblesd, zodat de zaagmachines ook in het (schemer)donker van dit seizoen hun werk kunnen doen. Nou, houd je maar vast, want daar komt ie. De poldergrond schudt even op z’n grondvesten.



Een meerkoppig monster
Grommend, als een meerkoppig monster, klampt de zaagkop zich vast aan zo’n es met een stip op de bast en maakt daar – in minder dan een minuut! – korte metten mee. Ráts, ggrrr, ráts, ggrrr. Het giert, het buldert en het kraakt in het Kuinderbos waar die reuzenhand – een “harvester”, in vakjargon - met grof geweld zaagt en boomtakken fileert. Voor een goed doel natuurlijk. De zwakke broeders worden verwijderd, zo krijgen andere bomen meer ruimte en licht. En de riante houtoogst levert ons weer gladde stammetjes en “hapklare” blokken om deze winter het kacheltje lekker op te stoken.

Slechts 15 procent van het hout uit de bossen van Staatsbosbeheer verdwijnt in onze kachels. De rest gaat naar fabrieken, er wordt papier van gemaakt, verpakkingsmateriaal of spaanplaat. Een groot deel van de oogst uit het Kuinderbos gaat naar de handel – en dus indirect ook naar de consument -, zoals de brandhoutfabriek in het nabijgelegen Rutten (Noordoostpolder): De Houthakker. 

‘Dit is een jong bos en toch zie je al een enorme biodiversiteit,’ vertelt Harco. ‘Met 2500 soorten organismen. Dat Moeder Natuur zoiets in zeventig jaar voor elkaar fietst, dat is toch bijzonder!’ Terugblikkend: ‘In januari 2007 werden we getroffen door cycloon Kyrill. Toen is in één klap 150 hectare fijnsparbos omgewaaid. Wat een ravage, bomen knapten als luciferstokjes af. Een ramp voor het bos, dacht ik toen. Maar achteraf was het een zegen; waar de natuur zo wreed ingegrepen had, kregen we weer oerbos terug. Er ontstond licht op de bodem, natuurlijke verjonging. Meer verschillende soorten maken het gebied nu sterker, het bos vitaler en minder kwetsbaar bij storm.’