De balts van de korhoen

Het bruine vrouwtje lijkt op een fazantenhen, het mannelijke korhoen is een unieke, opvallende verschijning met zijn diepblauwe verenkleed, witte staart en rode kammen boven de ogen.
korhoen

Het is bijna niet meer voor te stellen: het korhoen als talrijke vogel op de heide en in het veen van Groningen, Friesland en Drenthe. Inmiddels is deze bonte soort in Nederland vrijwel uitgestorven. Vogelaars en onderzoekers maakten de neergang mee en koesteren hun levendige herinneringen. ‘We zagen ze over de TT-baan heen vliegen.’

Geen woning, geen kroning, klonk het op 30 april 1980 in de straten van Amsterdam. Beatrix werd ingehuldigd en dat leidde tot oproer. Ver van het tumult, in de vroege avond, wandelde Emo
Klunder het Balloërveld op. Als beginnend vogelaar had hij het gebied pas ontdekt, samen met zijn buurjongen ging hij die avond op pad. ‘En opeens hoorde ik ’m.’ Minutenlang bleven ze kijken naar de vogel die zich in een struik had verschanst. Voor Klunder was het onmiskenbaar: een korhoen. 

Het bruine vrouwtje lijkt op een fazantenhen, het mannetje is een unieke, opvallende verschijning met zijn diepblauwe verenkleed, witte staart en rode kammen boven de ogen. Ook het baltsgedrag is opmerkelijk. Vanaf het einde van de winter melden de hanen zich op hun vaste baltsplaats en gaan met elkaar de strijd om de vrouwtjes aan, met een gekoer, getrippel en gefladder van jewelste. 

Klunder (67) had op kroningsdag als jonge vogelaar niet in de gaten hoe speciaal die ene korhaan was. ‘Alles wat je nog niet kent is dan bijzonder. Later realiseerde ik me dat dit mijn enige waarneming in de noordelijke provincies is geweest.

Op een melkkrukje

Wat Klunder hoorde – het geluid van de haan tijdens het baltsen – wordt in de ANWB Vogelgids van Europa omschreven als sissende roep en bubbelend koeren. Dat lijkt bescheiden als je weet hoe het eraan toe kan gaan, zoals Guido Meeuwissen (77). Hij werkte als analist aan de Rijksuniversiteit Groningen bij de werkgroep ethologie (diergedrag). Onder hoogleraar Jaap Kruijt (1928-2002) werd vanaf midden jaren 60 onderzoek gedaan naar korhoenders in Fochteloo. Meeuwissen ging mee om video-opnamen te maken. 

Vanaf een uur of half vier ’s ochtends verscholen de onderzoekers en studenten zich in krappe, draagbare hutjes van tentdoek en stokken. ‘We zaten op melkkrukjes en keken door kleine luikjes. De korhoenders mochten ons natuurlijk niet zien, dus we moesten heel stil blijven,’ vertelt Meeuwissen. ‘Onze videorecorders werkten op autoaccu’s, eentje zelfs op een vrachtwagenaccu. Dat was een heel gesjouw. We hadden ook een hoge stapel opnamebanden mee en we legden microfoons in het veld.’ Vanaf zonsopkomst kwamen zo’n 30 korhanen tevoorschijn. ‘Soms naderden ze ons tot op zo’n 25 meter. En dan was het zo’n oorverdovend lawaai dat we elkaar niet meer konden verstaan.’

Mystiek geluid

Korhennen kiezen hun partner onder meer op diens koerkwaliteiten. In het laboratorium bekeken de onderzoekers hoelang een zogenoemde “koerbout” duurde en schreven dat per haan uit op millimeterpapier. Het vocale geweld liet hen in het veld niet onberoerd. Meeuwissen: ‘Als je ’s ochtends vroeg, in alle stilte, in je schuilhutje ineens overrompeld werd door het gekoer van de aanstormende korhanen… Dat was het meest indrukwekkend.’ Per e-mail stuurt hij beeldend proza na: ‘In de nevelige ochtend hoorde ik het geluid van de ruisende, snorrende vleugels boven de tent. Dan ineens ploften ze voor je neer, laag en traag schuifelend, koerend over het gras met een opbollende keelzak.’

Emo Klunder, die na kroningsdag elders meer korhoenders heeft gezien, noemt het een ‘mystiek geluid’. Vogelaar Harm Jan Wight (85), die weleens met Meeuwissen meeging, kan dat beamen. ‘Als ze hun vleugels en dat witte kontje zo opbollen, met dat “knorren” erbij – prachtig. Dan geniet je gewoon.’ De eerste keer dat Wight korhoenders zag, was bij Fochteloo, op 8 maart 1973. ‘Elf mannetjes en drie vrouwtjes. En die waren lekker aan het baltsen.’ Maar de aantallen zouden de volgende lentes rap kelderen, tot hij in zijn aantekeningen nog melding maakt van één vrouwtje, in 1980. ‘Dat is de laatste die ik heb gezien.’

‘Vlak bij de baltsende hanen konden we elkaar niet verstaan’

Kieskeurige vogel

De neergang van de landelijke korhoenstand had verschillende oorzaken, van intensieve landbouw tot toerisme en toename van roofdieren. Het veranderde landschap, waarin gevarieerde akkers en uitgestrekte heide- en veengebieden moesten plaatsmaken voor een monocultuur met een lage waterstand, is misschien wel de belangrijkste factor. Het korhoen is een kieskeurige vogel, die allerlei biotopen nodig heeft in verschillende fases van z’n leven, legt Lenze Hofstee uit. ‘Als je daar een bouwsteen tussenuit haalt, stort het hele bouwwerk in.’ 

Hofstee hoort bij de oprichters van natuurwebsite Waarneming.nl en zag als 15-jarige voor het eerst korhoenders. Op een ochtend in het voorjaar van 1972 trok hij met een groepje naar het Dwingelderveld. ‘Met landbouwplastic en takken bouwden we een schermpje, zodat de vogels ons niet konden zien. Een uur voor de zon opging, lagen we in dat hutje te rillen.’ Net als Guido Meeuwissen zaten ze op de eerste rang. ‘Je moest berevroeg je nest uit, maar wat je zag was een van de meest spectaculaire taferelen in de Nederlandse natuur. Baltsende korhoenders maken de gekste capriolen, ze dagen elkaar uit en dansen om elkaar heen.’ Bij de herinnering komt Hofstee 

superlatieven tekort: ‘Dat is fantastisch, dat is magistraal, dat vergeet je nooit weer. En hun geluid erbij, dat samenhangt met ochtendmist en met de zon die nog niet boven de horizon is; het is koud. Als je in de verte die trillers hoort, dan weet je: wow, ze zitten er. Dat is een enorme kick.’

Hen met kuikens

Een aandenken aan die tijd heeft Lenze Hofstee gelukkig nog. ‘Met een baantje in een fabriek in Hoogeveen had ik geld verdiend voor een spiegelreflexcamera. De eerste keer dat ik daarmee de hei op ging, stak er vlak voor ons opeens een korhen over, met een toom kuikens achter haar aan. Toen heb ik echt staan twijfelen: zal ik een foto maken of niet? Zo’n zwart-witrolletje kostte best wat geld. Ik besloot het toch te doen, en achteraf is het een van de bijzonderste foto’s die ik ooit gemaakt heb.’ 

Beginnende vogelaars hadden geen flauw idee dat het zo slecht ging met de korhoenpopulatie. Onderzoekers daarentegen zagen, in de woorden van Guido Meeuwissen, de ‘ellende langzaam aankomen’. Maar daar werd eigenlijk niks mee gedaan, vertelt Freek Niewold (76). Voor het Rijksinstituut voor Natuurbeheer inventariseerde hij de korhoenders in Nederland. ‘In het begin zaten er op elk heitje nog een paar. Nou, dat was vanaf de jaren 70 gauw afgelopen.’ Hoe anders was dat 20 jaar eerder. Als kleine jongen zag hij ze rond Assen, op het Balloërveld en in het Wittenveen. ‘En achter de TT-baan lag een stuk natte hei, ook daar zaten volop korhoenders. Ze foerageerden op het veen naast Hooghalen, waar nu bos staat. Over de TT-baan zagen we ze heen en weer vliegen.’

Massale afname

Bij zijn inventarisatie constateerde Niewold een afname die zo massaal was dat er niets meer aan te doen leek. De ruilverkaveling was volop aan de gang, de weg naar de intensieve landbouw was al lang en breed ingeslagen. ‘Gelatenheid’, herinnert hij zich. ‘Het was een voldongen feit. Je kunt wel wat landbouwgrond rond veen en hei aankopen en extensiveren, maar je kunt niet met één weilandje toe.’ Als evolutiebioloog is hij meer een man van processen en geduld. ‘Stel, je wilt begrazen op de hei. Daar hoort een heel ander ecosysteem bij dan wanneer je het korhoen wilt laten floreren. Dan moet je eerder denken aan branden en plaggen en vervolgens kijken wat er gebeurt, vijf, zes jaar wachten. Zo’n inhaalslag is niet gemaakt. Het korhoen is een voorwereldlijk beest, zo werd er gedacht, dat verdwijnt toch wel.’

En verdwenen is de vogel inderdaad. Alleen op de Sallandse Heuvelrug leeft vermoedelijk nog één Nederlands exemplaar – het allerlaatste. Sinds enkele jaren worden in het gebied korhoenders uit Zweden bijgeplaatst, Niewold volgt de geringde en gezenderde dieren. Maar deze ‘ultieme poging’, zoals hij het noemt, wordt bedreigd door inteelt en voedselgebrek voor de kuikens, aldus het laatste rapport van de universiteit van Wageningen. Een herintroductieproject op de Veluwe werd in 2017 gestaakt. 

‘Geef het verhaal door, ooit liepen ze ook in het noorden rond’

‘Mensen missen ze niet’

Doodzonde, een gemis, ontzettend jammer: de mannen die het korhoen nog in levenden lijve hebben gezien, spreken in vergelijkbare bewoordingen over het uitsterven. Guido Meeuwissen betreurt het dat hij ze nooit aan zijn kinderen heeft laten zien. Kenners als Niewold en Hofstee noemen het korhoen een symbool van de verminderde biodiversiteit en een van de eerste soorten waarbij dit gevolg duidelijk werd. Volgende slachtoffers bleken de weidevogels: grutto, wulp, kemphaan, maar ook veldleeuwerik en patrijs. ‘En mensen missen ze niet,’ zegt Emo Klunder, ‘want ze hebben geen idee wat voor leven er ooit om ze heen was en waar nu nog maar een restje van over is.’ 

Toch klinken er ook sprankjes hoop, bij Egbert Boekema (67) bijvoorbeeld: ‘Moerasvogels doen het in Groningen beter dan verwacht. En witwangsterns had je vroeger niet in Nederland, nu zit er een populatie bij het Zuidlaardermeer.’ De emeritus hoogleraar biologie (RUG), voorzitter van Avifauna Groningen en auteur van het standaardwerk Vogels in Groningen heeft vanaf 1972 zelf nog korhoenders gezien in onder andere het Bunnerveen, bij Peize. Voor de ontginning zaten daar de meeste korhoenders van Drenthe, vertelt hij terwijl hij de dramatische rijtjes erbij pakt: ‘1948-1955: 300, 1973-1976: twee tot vijf.’ 

In de provincie Groningen werden voor zover bekend de laatste korhoenders gezien in de jaren 50, op het Haarsterveld bij Marum. ‘Daarna was het afgelopen.’ Boekema benutte voor zijn vogelboek onder meer de Schoolmeesterrapporten, een enquête onder Groningse onderwijzers uit 1828 over de plaatselijke natuur. De aantallen korhoenders kleurden destijds de hele provincie in, van het Westerkwartier tot Oost-Groningen en Westerwolde. 

Zelf denkt Boekema grinnikend terug aan het baltsen van de korhoenders, ook wel “bolderen” genoemd. ‘Dan stonden ze maar een beetje spastisch met de vleugels te schudden. Het is eigenlijk geen gezicht. En dat gesis erbij. Als ik dat nu zou horen, zou ik het meteen herkennen.’

Eierkolen in de kachel

Voor de roep van het korhoen moet je tegenwoordig nagenoeg de grens over. Toch zijn er meer optimisten, die merken dat er andere, nieuwe soorten bij komen. Kijk maar naar de kraanvogels in het Fochteloërveen, vindt Johan van Rhijn, die in 1966 als jonge twintiger betrokken was bij het onderzoek van de RUG. Drie weken lang vertoefde hij bij de korhoenders van Fochteloo. ‘We zaten in een hutje dat van de verveenders was geweest. Het was vroeg in het voorjaar, het was stervenskoud. Er stond een kacheltje en in een schuur lagen nog wat eierkolen en briketten om het een beetje op temperatuur te houden. En als het gevroren had, moest je ’s ochtends op de baltsplaats de rits van de schuiltent met je hand ontdooien. Het was echt afzien.’

Voornaamste activiteit voor Van Rhijn en collega’s: de korhoenders ringen, met behulp van grote inloopkooien en voersporen. Hoe het was om een korhoen vast te houden? ‘Het is een grote kip eigenlijk,’ lacht Van Rhijn. ‘Het vangen was echt een kick. Ik heb ook kemphanen geringd, die ving ik in strikjes. Dat gaf elke keer een stoot adrenaline: loopt-ie erin of niet? Zodra de vogel vastzat, stormde ik het schuiltentje uit. Het was een soort jachtinstinct.’

Om een korhoen te ringen was één man niet genoeg, herinnert Guido Meeuwissen zich. ‘Dat moest je met z’n tweeën doen, want die hanen zijn oersterk. De een hield ’m vast, de ander deed de ringen om.’ Fantastisch vond hij het om ze van zo dichtbij te zien: ‘Met hun knalrode kammen, dat zwartblauwe verenkleed en de witte staart – het waren prachtbeesten.’

Trouw aan baltsplek

Volgens de officiële cijfers werd bij Fochteloo voor het laatst een korhoen gezien in 1984. Bert Dijkstra, werkzaam bij Landschapsbeheer Drenthe en in zijn vrije tijd vogelaar, groeide in de buurt op en trok er vaak met zijn verrekijker op uit. Over zijn eerste korhoenwaarneming als negenjarige, in 1979, schreef hij een blog onder de veelzeggende titel Vogelpijn (zie heeldrenthezoemt.nl). Hij vond eens een dode korhaan, een staartpen nam hij mee. ‘Er zat een purperen, donkerblauwe glans op. Een heel bijzondere kleur.’

De laatste korhaan kan Dijkstra zich ook herinneren. ‘Midden op het Fochteloërveen stond een dode boom en af en toe zat er nog één haan in de top. Je had echt het idee: dit is de enige die er nog is. Moederziel alleen zat hij over het hele gebied uit te kijken.’ Het is een aandoenlijk, tragisch beeld dat hem bijblijft, vertelt Dijkstra. ‘Het korhoen is een dier dat trouw blijft aan zijn baltsplek terwijl de hele context van het landschap is veranderd. Er is geen perspectief, toch blijven ze, tot ze uitsterven. Wat zal dat laatste beest gedacht hebben – waar is iedereen?’

Voorlichting in dierentuin

Misschien moeten korhoenders een plek krijgen in een dierentuin, oppert Dijkstra als alternatief voor mislukte uitzetpogingen. ‘Voor de bewustwording. Hoenders kun je prima in gevangenschap houden. Vertel het verhaal erbij: ooit liepen ze ook in Drenthe rond. Ik denk dat het goed is als mensen op de hoogte zijn van dit soort vergeten vogels.’

De leus over de woningnood, die op kroningsdag 1980 door de hoofdstad galmde, had ook het korhoen op het lijf geschreven kunnen zijn. Zijn overlevingsstrijd voltrok zich buiten de schijnwerpers en bleek spoedig beslecht, ondanks de toewijding in de arena die Guido Meeuwissen na een halve eeuw nog weet op te tekenen: ‘Twee duellerende hanen keken elkaar doordringend in de ogen en lieten elkaar tijdens deze schijngevechten geen seconde los, de een hield de ander nauwlettend in de gaten. Elke stap over de grens was een stap te veel. Misschien maakte die overgave met zo veel vertoon, waarin de hanen elkaars territorium bevochten, de meeste indruk op mij.’

Laatste nieuws