Zoektocht naar Joods Winschoten

Dit artikel verscheen in Noorderland 2017-8.

Tekst: Ankie Lok | Fotografie: Max de Krijger

Stadsgids Koos Akkerman (75) geeft rondleidingen door het Joodse verleden van Winschoten. Ook de Joodse dichter Saul van Messel werd hier geboren. Diens naoorlogse poëzie vangt in woorden wat er op straat nog voelbaar is van de verdwenen gemeenschap: "mien sjoel is blind / dij zugt gain jeudn meer.”

“Lutje Mokum”, “Mokum Beis” en “Sodom”. De bijnamen van Winschoten verwijzen naar het Joodse verleden van de stad. In de jaren voor de Tweede Wereldoorlog had Winschoten, op Amsterdam na, procentueel de meeste Joodse inwoners van Nederland: ongeveer tien procent van de bevolking. Naast zulke statistieken klinkt de toevoeging “lutje” (“klein”) aan “Mokum” bijna onnodig bescheiden.

Wat is er in het huidige Winschoten van deze gemeenschap terug te vinden? Koos Akkerman heeft zich gespecialiseerd in de Joodse historie van de stad. Al 17 jaar lang is hij hier stadsgids. Voor het gebouw van het Cultuurhistorisch Centrum Oldambt aan de Johan Modastraat steekt hij van wal: ‘De eerste Joden kwamen hier in 1683. Dit waren voornamelijk Asjkenazische Joden, arme migranten uit Oost-Europese landen als Polen, Hongarije en Roemenië. Op de vlucht voor pogroms zochten zij hun heil in West-Europa, tot het Oldambt aan toe.’

Een plein om stil te staan

De Johan Modastraat komt uit op wellicht de bekendste straat van Winschoten: de Langestraat. Op het eerste gezicht een heel gewone winkelstraat, met moderne ketens en café-restaurants, maar op het Burgemeester Schönfeldplein blijft Koos staan. De rode straatklinkers waaieren uit in een viersprong. Aan het plein loopt winkelend publiek de Hema en Wibra in. ‘In de oorlog werden hier de Joden verzameld,’ zegt Koos. ‘Onder begeleiding van Landwachters werden ze vanaf hier naar de gymzaal gebracht.’ We blijven even staan om de plek in ons op te nemen. Het kost een paar momenten om de gedachten te verplaatsen naar de oorlogsjaren, naar ditzelfde plein. 

Ook dichter Saul van Messel (één van de bekende pseudoniemen van de Nederlandse historicus Jaap Meijer), naar wiens geboortehuis we in deze stad op zoek zijn, beschrijft de zoektocht naar die inbeelding. In zijn poëzie kunnen dromen de doden doen herleven: “in huizen die al lang / niet meer bestaan / openen doden / lang gesloten deuren. / ik laat als steeds / ze ademloos begaan / vol spanning / in dit nachtelijk gebeuren. / stel dat er één / zich plotseling weet bespied / zich omdraait en mij roept / en ik – ik ben er niet.”

We steken over. In de Torenstraat deelt Koos een speciale lekkernij uit: Winschoter citroenballen. ‘In deze straat zat vroeger de snoepwinkel van de Joodse familie Van den Berg, die deze zuurtjes verkocht,’ zegt Koos. De winkel stond daarom bekend als “Balletje van Berg”. De zuurtjes doen denken aan botersnoepjes, maar smaken, zoals de naam al verklapt, heel anders.

“Engelsestroade”

Met het citroenballetje nog op de tong slaan we de Carolieweg in, een steegje dat vroeger het “Jodenstraatje” werd genoemd. Het leidt naar de oude Joodse volksbuurt. Hoewel hier inmiddels veel nieuwbouw staat, wordt het verleden hier voelbaar als we de Engelsestraat in wandelen. Koos wijst wat huizen aan zoals ze hier vroeger stonden; vrijstaand en verschillend in grootte, met witte en groene kozijnen en rode daken.

We houden halt voor een huis met een dubbele garage. ‘Op deze plek is Saul van Messel geboren,’ zegt Koos. Wie dat niet weet loopt het adres zo voorbij. Het geboortehuis staat er niet meer, en aan het huidige huis hangt geen plaquette. Hoewel dat een gemis lijkt, is het ook wel weer toepasselijk bij Van Messels werk: hij is daarin voortdurend op zoek. Op de tast wandelt de dichter door de tijd en probeert de herinnering weer werkelijkheid te laten worden. Zijn wegbereider is de taal. Over “Engelsestroade” dicht hij in 1970: “de deure / van mien jeugd / staait op de gloep / wèl zol doar weezn”.

Wachten voor Westerbork

Aan de Engelselaan, een zijweg van de Engelsestraat, wacht ons een naargeestige inbeelding. Koos stopt voor een grasveldje dat door een houten hek wordt afgescheiden van de stoep. ‘Zie je dat gebouw daarachter? Dat was vroeger het gymnastieklokaal van de kweekschool, waar de Landwachters de Joden naartoe brachten. In de gymzaal moesten zij wachten op de trein naar Westerbork.’ Het veldje ligt er op deze wintermiddag kaal bij. Een van de planken in het hek is kapot, en het is stil in de woonwijk. Hoe bevreemdend het ook is om je het drama voor te stellen dat zich hier heeft afgespeeld, in de dromen van Saul van Messel is het verleden met een paar woorden binnen handbereik: “vannacht zag ik / joden weghollen – / hoe zouden zij weten / dat ik van een / razzia droomde”.

In de Oranjestraat staat een huis met een literair verleden: als kind woonde hier de Joodse schrijfster Etty Hillesum. Van 1918 tot 1924 werkte haar vader in Winschoten als leraar klassieke talen. Etty Hillesum kwam eind 1943 met haar ouders om in Auschwitz. Zij werd beroemd toen in 1981 haar oorlogsdagboek werd gepubliceerd, onder de titel “Het verstoorde leven”. Ook bij dit huis geen plaquette aan de gevel, maar sinds mei 2017 staat er in de straat een monument voor Hillesum, van de Hoogezandster kunstenares Wiea Duintjer. Het stelt een dame met hoed voor, de armen gespreid. In haar borst openen zich twee luikjes als een boek.

We slaan rechtsaf, de Wilhelminasingel in. Een eindje verderop staat aan onze linkerhand een groot, vierkant gebouw met rode dakpannen. ‘Dat was vroeger het hoofdstation van de Stoomtramwegmaatschappij Oostelijk Groningen,’ zegt Koos. ‘Vanuit hier zijn een heleboel Joodse mannen naar de “hel van Jipsinghuizen” vervoerd, waar zij ontginningswerk moesten doen.’ Op de ramen prijkt nu het rood-blauwe logo van een tandartsenpraktijk.

Ook op de hoek van de Paul Krugerstraat en Emmastraat staat een gebouw met een huiveringwekkend verleden. ‘Hier woonde de Joodse veekoopman Rudolf Braaf,’ zegt Koos. ‘Zijn huis werd in de oorlog geconfisqueerd. De Duitsers maakten er een clubhuis van de NSB van.’ Rudolf Braaf en zijn vrouw vonden op 6 september 1944 de dood in Auschwitz.

Metaheerhuis en monument

Op het NS-station, om de hoek, zien we dan toch de eerste plaquette aan de muur: ‘Ter herinnering aan de ongeveer 500 burgers van Winschoten, die per trein werden weggevoerd naar Westerbork, en vandaar naar concentratiekampen in Duitsland en Polen.’ Ook Saul van Messel reed vanuit Westerbork aan Winschoten voorbij. In het aangrijpende gedicht “Bie langs. 15-2-1944” denkt hij terug aan dit transport en verwoordt hij de verbintenis met zijn geboortegrond en de lotsbestemming van de mensen in de trein: “dag dode pabbe / doe ligst / hail dicht bie / woarhèn / goan wie”.

In zijn gedicht doelt Van Messel op het graf van zijn vader, op de Joodse begraafplaats aan de Sint Vitusholt. Het is al schemerig als we die bereiken, aan de westkant van het centrum. De begraafplaats dateert van 1828. Direct achter het hek staat het metaheerhuis, zoals het lijkenhuis op een Jodenbegraafplaats wordt genoemd. Koos wijst naar het opschrift: ‘“Ik verbrijzel en doe herleven”, betekent het.’ De grafstenen zijn dubbelzijdig gegraveerd, aan de ene kant in het Hebreeuws, aan de andere kant in het Nederlands. Naast het metaheerhuis staat een monument voor de tussen 1942 en 1945 omgekomen ‘kinderen onzer gemeente, 446 in getal’.

De wandeling voert verder, langs de molen Edens. Dit is de oudste molen van Winschoten, uit 1785, bovendien de hoogste van de provincie Groningen. ‘Hier werd ook meel gemalen voor Pesach, voor het ongerezen brood. De rabbijn zag er persoonlijk op toe dat dit correct gebeurde,’ zegt Koos.

In de Engelstilstraat – van Engels, de naam van een steenfabriek, en “til”, brug – vertelt Koos over de Joodse winkeliers van Winschoten. ‘Je had hier vijf koosjere slagers, een vodden- en lompenhandel, een fietsenmaker, en nog veel meer Joodse bedrijven.’ Aan de smalle klinkerweg staan nu voornamelijk woonhuizen. Verderop, op de hoek van de Venne en Bosstraat, herinnert Koos aan de Joodse bakker Israëls. ‘Zijn specialiteit was boterkoek met amandelen. Voor veel Winschoters was dat op zondag vaste prik.’

Ritueel reinigingsbad

We blijven in de Bosstraat, voor het gevoelsmatige einddoel van deze wandeling: de synagoge. Dit is de tweede “sjoel”, zoals een synagoge in het Jiddisch heet, die in Winschoten werd gebouwd, halverwege de 19de eeuw. De oude synagoge, aan de Langestraat, was toen voor de snel groeiende gemeenschap te klein geworden. ‘Dit was bovendien een ringsynagoge,’ zegt Koos. ‘Hij was bedoeld voor de hele regio. Ook Joden uit Beerta en Scheemda kwamen hiernaartoe. Alleen Nieuweschans had een eigen kleine synagoge, een “bijkerk”.’ Het is inmiddels helemaal donker, waardoor we het gebouw en het aangrenzende rabbinaatshuis jammer genoeg niet echt kunnen bewonderen. Toch komt juist in het donker de poëzie van Saul van Messel weer in gedachten. Na de Tweede Wereldoorlog kreeg de synagoge een nieuwe bestemming, als gereformeerde kerk, en Van Messel vatte dit verlies in versregels: “mien sjoel is blind / dij zugt gain jeudn meer / naachts in de wind / heurt zai gereer”.

In de rabbinaatswoning is het “mikwe” bewaard gebleven: het rituele reinigingsbad, zeven treden diep, gelijk aan het aantal dagen van de week. In dit bad moesten onder anderen vrouwen die ongesteld waren geweest zich onderdompelen voordat ze de synagoge in mochten. ‘De rabbi wist dus als eerste wie er zwanger was,’ knipoogt Koos.

De wandeling eindigt bij het monument op het Israëlplein, dat werd onthuld in 2005. ‘Hierop staan alle Joodse slachtoffers uit Winschoten,’ zegt Koos. Achter de meeste namen staat Auschwitz of Sobibor en een datum in 1942 of 1943. Voor de zuilen met de naamplaten is een grote gescheurde Davidster geplaatst.

Op dit soort plekken, bij een monument, balt de nagedachtenis aan de Joodse slachtoffers zich samen. Het oorlogsleed is ook invoelbaar op andere plekken in de stad, zoals het veldje met de gymzaal, maar alleen als je weet wat zich daar heeft afgespeeld. Gelukkig zijn de Winschoter stadsgidsen er, om het verleden in detail te kunnen doorgeven.