Expeditie De Eese

Tekst: Jolanda de Kruyf | Foto's: Andries de la Lande Cremer

Het landgoed draagt z’n herfstblos met gepaste triomf. Ruim 800 hectare natuur en cultuurhistorie samengebald op het grensvlak van Overijssel, Drenthe en Friesland. Toch is het niet alles goud wat er blinkt op Heerlijkheid De Eese. Want zo’n bezit vergt grote verantwoordelijkheid van generaties schatbewaarders.

Leeggeroofde braamstruiken vlechten hun prikkeldraad van taai groen. Op het bospad verderop wachten populaire raapplaatsen. Kinderen bijeen gehurkt, hun van huis meegebrachte tasjes vol tamme kastanjes. Typisch gezinsverdrijf voor de zondagmiddag. Al haalde je hier honderd keer eerder een frisse neus, het blijft een weergaloos decor dat geen seizoen verveelt. Niet als de winter komt die het land fixeert. Niet als straks de varens weer gulzig omhoogschieten en het koren weer wuift op de akkers. De Eese leent zich altijd voor een expeditie.

Maar de Heerlijkheid herbergt veel meer dan bos, natuur en landbouwgrond; het is één grote groene schatkamer, rijk aan vondsten en verhalen. Woudreuzen van eeuwen en een handvol met zorg geconserveerde rijksmonumenten vormen feitelijk een eigen tijdbalk van hoogte- en dieptepunten. Mijlpalen voor de ontdekkingsreizigers onder ons. Het landgoed ligt royaal bezaaid met sporen die menselijk ingrijpen prijsgeven; van artefacten uit de vroege prehistorie tot ordinaire puinresten uit de Tweede Wereldoorlog. 

Land van vondsten en verhalen
Middagje spoorzoeken? Op De Eese hinkstapspring je door de tijd, een land van verhalen en historisch waardevolle vondsten. In volstrekt willekeurige volgorde: stoere aarden wallen die ooit het vee begrensden en driedubbeldikke exemplaren die op landweren duiden, oftewel verdedigingslinies tegen vijandelijke troepen. Uit Napoleontische tijd dateert nog een grensgreppel als scheidslijn tussen landgoederen De Eese en De Bult. Er liggen complete bundels van karrensporen uit de vroege Middeleeuwen, die het heideareaal van zuid naar noord doorklieven; sporen die wijzen op levendig handelsverkeer. Ossen- en later paardenkarren trokken hun voren diep in de bodem. Maar er zijn ook mysterieuze celtic fields, raatakkers uit Romeinse tijd, ter hoogte van Huis De Eese, het slotje of kasteeltje op de terp. 

Er liggen restanten van een hunebed en precies elf grafheuvels, minutieus gerestaureerd door een trouwe kern van vrijwilligers. Er zijn bomen gerooid, zodat je vrij zicht hebt vanaf zo’n houten bankje. Met vereende kracht wordt hier waar nodig weer gemaaid, geplagd en de heide ontdaan van woekeraars zoals berk, den en vogelkers. Rondom de prehistorische begraafplaatsen zijn ook de nodige spannende artefacten blootgelegd: vuistbijlen en pijlpunten, scherpe krabbertjes. Werkgerei uit de Steentijd dat onomstotelijk tot de uitrusting van Neanderthalers behoorde. 

Het Rotterdamse laantje
En dan is er nog dat andere verhaal, van veel recentere datum. Dat van de Duitse bezetter die in de Tweede Wereldoorlog dankbaar gebruikmaakte van de donkere bossen op het snijvlak van drie provincies. De nazi’s annexeerden 150 hectare grond voor de bouw van zeker 50 munitiebunkers, veelal gecamoufleerd met stukken dakpan zodat het van bovenaf huisjes leken. In werkelijkheid was het opslag van luchtgeschut voor het Duitse vliegveld nabij Havelte. 

Vrijwilligers op dit landgoed vonden in de loop der tijd explosieven (zoals een brisantgranaat) en een bescheiden onderduikershol. Aan de Woldweg, bij de buurtschap Baars, troffen ze betonplaten van de voormalige wasplaats die bij het Duitse militaire complex hoorde. En aan diezelfde bosweg herinneren stenen in de bodem nog aan de verdwenen villa van de Duitse legercommandant, die “de glazen kast” werd genoemd.

Over stenen gesproken: veel passanten wandelen hier argeloos over het zogenaamde “Rotterdamse laantje”, een onregelmatig geplaveid bospad van bouwstenen, grof metselwerk en hompen beton. Graniet zelfs, afkomstig uit oude keukenblokken. Dit allegaartje van stadspuin kwam per schuit uit Rotterdam naar het Steenwijkerdiep, na de eerste vernietigende bombardementen in mei 1940. In deze bossen, onder de rook van Steenwijk, diende het als harde ondergrond voor Duits transport.

Wagenwiel en Galgenveld
Dit is ’t oudst bewoonde deel van de regio, zo blijkt uit een keur aan archeologische vondsten. Nou, nog eentje dan die de boeken in mocht: het befaamde wagenwiel, van circa 2600 jaar voor Christus. Het eikenhouten schijfwiel kwam letterlijk aan de oppervlakte tijdens baggerwerkzaamheden in een vijver, in 1960. Wetenschappers achten het aannemelijk dat het wiel, een van de weinige bewaard gebleven exemplaren uit de Late Steentijd in Nederland, destijds als offerande in het veen is achtergelaten. Sybren Mulder, bedrijfsleider op De Eese, mag dan ook graag tegen zijn gasten grappen “dat het wiel op De Eese is uitgevonden”. De unieke vondst wordt bewaard in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden.

De gebiedsnaam circuleert sinds 1235. Eese komt uit het Latijn en betekent “een gebied met bosschages, struiken en bomen”. Sinds omstreeks 1400 zwaaiden de “Heeren van De Eese” hier de scepter. Ze waren eigen baas en spraken zelfstandig recht. Vonnissen werden waar nodig met de strop uitgevoerd; daarvan getuigen nog het voormalige Galgenveld en Kiekersveld (“kijkersveld”) nabij Huis De Eese. Publiek was welkom! Het huis, of slotje, werd in 1619 gebouwd en is daarmee het oudste nog bestaande bouwwerk op het landgoed. Het stamt uit de tijd van edelmannen en jonkvrouwen en van vogelvrij verklaarde vagebonden die hier, uit het zicht van de schout van Steenwijk, hun heil zochten.

Bouwpakketten rode blikvangers
Bezoekers zijn nog altijd van harte welkom op De Eese, zij het voor een veel vriendelijker schouwspel van de natuur. Op gepaste afstand van bewoond privédomein mag iedereen van dit nationaal monument genieten. Dat is particulier eigendom. Het was de steenrijke Amsterdamse koffiehandelaar Onnes van Nijenrode die het landgoed in 1915 kocht en er zijn stempel op drukte in de vorm van drie karakteristieke gebouwen die nog altijd blikvangers zijn: het van rode Zweedse verf opgetrokken houten landhuis (dat nu 100 jaar bestaat), de paardenstal annex koetshuis en een dienstwoning voor de opzichter werden als bouwpakket uit Scandinavië gehaald. ‘Per schip naar Harlingen, met de trein naar Steenwijk, vandaar met paard en wagen naar De Eese en hier weer in elkaar gezet,’ vertelt Sybren Mulder.

Minister van Buitenlandse Zaken Jhr. Mr. Dr. H.A. van Karnebeek (1874-1942) kocht het landgoed in 1923 en zette zich met hart en ziel in voor de natuurlijke ontwikkeling van De Eese. ‘Hij kocht het om in alle rust te kunnen recreëren,’ vertelt Sybren, ‘en voor de jacht.’ Het landgoed moest zichzelf in stand kunnen houden, meende de minister, en zodoende startte hij een akkerbouwbedrijf. Van Karnebeek liet de immense landbouwschuur bouwen. Het bord met opschrift “Streng verboden te rooken” boven de ingang ervan herinnert aan de tijd dat deze tot de nok was volgepakt met rogge, die ’s winters werd gedorst. Op het land werden ook aardappelen, wortelen, koolrapen, suikerbieten, erwten en bonen verbouwd. De minister wisselde landbouwgronden af met de aanleg van prachtige bospercelen. 

Het verhaal gaat dat de hoogwaardigheidsbekleder, gestoken in witte Haagse slobkousen, eens per maand zelf poolshoogte kwam nemen van de ontginningen op het terrein. De toenmalige bedrijfsleider haalde hem dan op van het station in Steenwijk, met de koets met twee paarden ervoor. Van Karnebeek was grondlegger van het landgoed in z’n huidige vorm. De erven namen zijn taken over en gaven de staatsman een eerbetoon in de vorm van een grote zwerfkei bij de entree.

Vierde generatie aan het roer
Intussen staat de vierde generatie Van Karnebeek aan het roer van “Landgoed Heerlijkheid De Eese Natuurschoonwet BV”. De telgen van de familie, die behalve grote verantwoordelijkheid ook een sterke emotionele band met het landgoed voelen, dragen als aandeelhouders gezamenlijk zorg voor de toekomst van hun bezit. En daarin slagen ze opvallend goed. ‘Veel landgoederen in Nederland kunnen zich financieel niet meer bedruipen,’ weet de bedrijfsleider. ‘Dat het De Eese wel lukt om het hoofd boven water te houden komt deels dankzij de schaalgrootte; er is voldoende grond om te verhuren aan boeren in de regio. Acht veetelers – ze winnen hier gras voor hooi – en een akkerbouwer pachten landerijen van De Eese. Bovendien zijn de negen huizen op het terrein eigendom van de familie zelf; die drukken dus niet op de exploitatie van het landgoed.’ De pacht, maar ook de verkoop van productiehout, de verhuur van de vroegere rentmeesterswoning en het commerciële gebruik van het landhuis als exclusieve trouw- of vergaderlocatie zijn belangrijke bronnen van inkomsten. Van het landhuis, dat onlangs ingrijpend is gerestaureerd, wordt veel gebruikgemaakt. ‘Maar het moet wel speciaal blijven,’ zegt Sybren Mulder. De rijksmonumentenlijst verordonneert “52 gasten maximaal”, ‘het huis heeft te lijden onder al te massale belangstelling.’ Zodoende vinden veel ceremoniën in dit romantische decor plaats, ‘en de polonaise met driehonderd gasten in een feestzaal elders.’