Eropuit langs Friese parels

Tekst en fotografie: Jolanda de Kruyf

Dromerige dorpjes met hun kerken, cafés en kop-hals-rompboerderijen. Intieme Elfstedenstadjes. Bossen, meren en gepenseelde luchten die zo uit een meesterwerk lijken geplukt. Ja, het Sint Odulphuspad trekt alle registers open voor de wandelaar en rijgt ruim 260 kilometer provincieschoon aaneen. Hink-stap-sprong langs Friese parels aan een fonkelend halssnoer.

‘Oh wat ben ik blij dat ik in Oudega woon, zo lekker dichtbij het water,’ verzucht de jonge vrouw en hop, daar gaat de bal weer, de Aldegeaster Brekken in. In een vliegende beweging gevolgd door haar Golden Retriever die zich, even doldriest als onvermoeibaar, op de buit stort. En nog een keer. En dan nog eens. Dit is hun moment, aan de boorden van het uitgestrekte meer dat zo mysterieus fonkelt en glinstert op deze namiddag. De late zon lijkt er achteloos met glimmertjes te strooien.

Door water gebroken land

Geen wonder dat dit traject van het St. Odulphuspad Lux Aeterna is gedoopt, ofwel eeuwig licht. De bij vlagen magische lichtval zorgt voor een schittering op de plas die zo’n 120.000 jaar geleden is ontstaan, tijdens de voorlaatste ijstijd. Het is een paradijselijk plekje, hier aan de brekken. Die naam tref je trouwens vaker onderweg. In feite zijn brekken door dijkdoorbraken of vervening ontstane poelen en daar plukt de watersporter of zwemmer nu mooi de vruchten van. Letterlijk betekent het door water gebroken land en dat is een lyrische omschrijving voor de vele kleine en grotere meren die je veelvuldig in het Friese laagveengebied ziet.

Mozaïek van waterlopen

Pak je de provinciekaart erbij (en dat is, zie ook de tip verderop, geen overbodige luxe voor verkenners in den vreemde), dan ontvouwt zich in Súdwest-Fryslân een door Moeder Natuur en mensenhanden gesmeed mozaïek van waterlopen. Meren van royale omvang met zijarmen naar alle windstreken; sloten, poelen, wielen en, ja, ook brekken dus. ’t Is dat we nu te voet gaan, maar je kunt hier natuurlijk ook een aardig boottochtje maken. De Aldegeaster Brekken zijn verbonden met De Fluessen en het Heegermeer, nog een paar van die enorme waterpartijen. Friesland heeft er patent op. 

Wat ook opvalt onderweg zijn de vele, met zorg én onder architectuur gebouwde trafohuisjes in het landschap. Waar het risico op overstroming of hoog water aanwezig was, werden veel van die stenen bouwsels rond de jaren 30 van de vorige eeuw op hoogte, op dijken geplaatst. Hoogspanning wordt er omgezet naar laagspanning en geleverd aan huishoudens en bedrijven. Sommige ogen monumentaal in al hun eenvoud: als je erop let kom je nog de mooiste ontwerpen tegen in het Friese land.

Pas op: drie Oudega’s

Ze liggen alle drie aan het water; Oudega, Idzega en Sandfirden. Voor de een misschien te verwaarlozen vlekken op de landkaart, maar wie oog heeft voor detail ontdekt dorpjes van een intieme schoonheid. Met niets meer dan nodig is. Tip vooraf: zorg wél dat je op het juiste Oudega navigeert. Dat is geen grap; Friesland telt liefst drie (!) Oudega’s en voor je ’t in de smiezen hebt zit je in de gemeente Smallingerland of De Friese Meren. Ook niks mis mee, maar een eind uit de koers voor wie met de benenwagen reist.

“Ons” Oudega is een bekoorlijke kern waarover buiten het seizoen een deken van rust is neergedaald. De camping is verlaten, de jachthaven leeg. De etappe die via Workum naar Hindeloopen voert (17 km) start aan de voet van de Ankerkerk (beter gezegd Ankertsjerke) in Oudega, met z’n torenklok uit 1623 die schuilgaat achter het groene streepjespak. Een plaatje dat dan ook logischerwijs een plek op de monumentenlijst veroverde. Nog een monument - dat maar nét buiten de wandelroute ligt - is Doris Mooltsje en de moeite van de omweg wel waard. Deze oudste spinnenkopmolen van Friesland is ook een van de grootste in z’n soort. Een beauty in bedrijf, een flink formaat windmolen die de kleine polders rond de Aldegeaster Brekken bemaalt. De tjasker uit 1790 is liefdevol vernoemd naar een van z’n laatste molenaars, Doris Hoekstra.

Workum en Hindeloopen

Verder op het traject Lux Aeterna etaleren Friese Elfstedenstadjes hun schatten. Workum met z’n aardenwerken gebruiksgoed en de Waag, blikvanger op het centrale, levendige plein waar vroeger boter en kaas werden verhandeld. Nu is het op zonnige dagen één groot terras. Om de hoek wacht de rijke nalatenschap van kunstschilder Jopie Huisman en een keur aan eeuwenoude geveltjes langs de straat die de bewonderaar een stijve nek bezorgen. Hindeloopen kan er best mee wedijveren, met z’n wereldberoemde schilderkunst die je overal – van naambordjes tot klompen – in terugziet, de wirwar van stegen en bruggetjes, de commandeurshuizen en likhúsjes (kleine woninkjes) ernaast. Neem een mootje vis en mijmer nog wat aan het IJsselmeer. 

Tip, als je toch in de buurt bent: check ook even de onorthodoxe bouwdrift van regisseur en theatermaker Pieter Stellingwerf. Even buiten het Friese havenstadje verrijst het bevreemdende bouwwerk dat hij zelf ontwierp. De totstandkoming van deze omgekeerde stelpboerderij (een zogenaamd Upside Down-huis) is al in een vergevorderd stadium en trekt veel bekijks.

Spuitende statements

Slim: in alle Elfstedenstadjes die we aandoen, pakken we meteen een paar van de veelbesproken Elf Fonteinen mee, spuitende statements uit het afgelopen Culturele Hoofdstadjaar die een permanent en veelal ook prominent plekje verwierven in het stadshart. En daar zitten curieuze exemplaren tussen. In Workum zijn de twee leeuwen uit het stadswapen gekropen en hebben zich levensgroot bij de stadsentree geposteerd. Dwars door hun watergordijn bieden ze een doorkijkje naar de Sint Gertrudiskerk daarachter. Ook in Hindeloopen heeft de maakster zich door het stadswapen laten inspireren; haar levensboom, omringd door een reusachtig gewei, wordt bevolkt door exotische waterspuwende vogels. In Sloten staat een meisje op de schouders van een man, ze houdt een vogel in haar hand: de kievit. Een vogel met typisch Friese roots, maar een door intensieve landbouw en veeteelt bedreigde soort. Met een stapel emmers, teilen en jerrycans als “sokkel” verwijst dit kunstenaarspaar ook nog naar de wereldwatersnood, een fontein bol van boodschappen dus. 

Pracht en praal

Blauwhuis is onze meest noordelijke bestemming vandaag. Het Sint Odulphustraject Aether (gepenseelde luchten) voert ons in 16 kilometer van Gaastmeer via – het inmiddels vertrouwde! – Oudega naar Blauwhuis. Eindstation: de Sint Vituskerk en dat is met recht de apotheose van een fikse voettocht. De pracht en praal vertaald in hoge, rijk versierde neogotiek staat in schril contrast met het eenvoudige dorpsleven. Nu is het godshuis een niet te missen baken in het landschap, maar ooit stond op deze plek een schuurkerk; een schuilkerk in een tijd dat de rooms-katholieke godsdienst verboden was in Nederland. In onopvallende bouwsels hielden de roomsen toch hun missen en die werden oogluikend toegestaan. Nadat Napoleon aan de macht kwam mochten de katholieken weer openlijk hun geloof belijden en in 1871 verrees deze imposante kerk. In het rijksmonument herinnert een glas-in-lood tableau aan twee katholieke “helden”: Titus Brandsma en priester Jan Ysbrand Galama. Buiten zorgden rijke boerenfamilies voor in het oog springende grafmonumenten.

Eerbetoon aan onderduiker

Gerard Reve kwam hier graag. De schrijver die tussen 1964 en 1971 in het nabijgelegen Greonterp samenwoonde met zijn jonge vrienden Teigetje en Woelrat, voelde zich sterk aangetrokken tot deze plek en bezocht geregeld de mis in Blauwhuis. Geïnspireerd door het graf en de tragiek rond Gerrit Rijpma – de nog maar 18-jarige onderduiker uit Abbega werd in de winter van ’45 bij een razzia doodgeschoten door de Duitsers - schreef Reve zijn bekende gedicht Graf te Blauwhuis. Nog elk jaar wijdt het plaatselijke café trouwens een bescheiden eerbetoon aan Rijpma, die in de jaren 80 is herbegraven op het Nationaal Ereveld in Loenen.

Hij rende weg, maar ontkwam niet

en werd getroffen, en stierf, achttien jaar oud.

Een strijdbaar opschrift roept van alles,

maar uit een bruin, geëmaljeerd portret

kijkt een bedrukt en stil gezicht.

Een kind nog. Dag lieve jongen.

Gij, die Koning zijt, dit en dat, wat niet al, jaja

kom er eens om,

Gij weet waarom het is, ik niet.

Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?

(Graf te Blauwhuis – Gerard Reve)

Carnaval in het café

Café De Freonskip (Fries voor vriendschap) is een gemoedelijke pleisterplaats pal op de kruising in het dorp en dateert al van 1875. De waard doet graag een boekje open over het oorspronkelijke herenlogement dat een populaire halteplaats was voor passanten op doorreis naar Sneek. Binnen laafden de mannen zich gretig aan gestookt levenswater, terwijl de paarden buiten konden rusten. En over laven gesproken; in Blauwhuis, één van de schaarse katholieke enclaves die Fryslân kent, begroet men elkaar nog graag met een welgemeend Alaaf! Want hier wordt jaarlijks uitbundig carnaval gevierd; dan heet Blauwhuis Fyfkesryk en schudt het drinklokaal annex zalencentrum op z’n grondvesten. ‘Drie dagen lang in maart,’ glundert eigenaar Gerard de Wolff en hij wijst op de fotogalerij van Prinsen aan de wand, boven het biljart dat buiten dienst onder een hoogpolig tapijtje rust.

De hand van de baron

Op onze derde etappe Wijckel-Balk-Sloten (16 kilometer) maken we kennis met baron Menno van Coehoorn, de in Friesland geboren veldheer en vestingbouwkundige die op strategisch gebied zoveel heeft betekend voor het Noorden en voor de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Wijckel is beslist niet groot, maar ademt de nalatenschap van Van Coehoorn, die hier in 1678 zijn fraaie state liet bouwen: Meerenstein. Helaas verdween de edelmanswoning uit beeld, maar op deze plek kun je tegenwoordig heerlijk flaneren in het Van Coehoornbos. In de Vaste Burchtkerk – met z’n indrukwekkende toren – vind je nog het praalgraf van de man die zijn stempel op veel vestingsteden drukte. Sloten is daar één van. Kleinste van de Friese Elfsteden, maar een pareltje gelijk. Geen wonder dat dit traject Moenia Perlae (stadswallen van de parel) is gedoopt. 

Heerlijk autoluw

Wat voor toeristen zo bekoorlijk is aan historische stadskernen als Sloten, is natuurlijk het autoluwe karakter. Langs de Lindengracht, de Kapelstreek, Voorstreek of Heerenwal met z’n idyllische bruggetjes, nostalgische straatlantaarns en eeuwenoude panden kun je prachtige stillevens schieten, zonder ook maar één een auto als dissonant in beeld. Of het moet de wagen van de winterschilder en de aannemer zijn. Dat zijn uitzonderingen. Parkeren doe je buiten de oude kern en die regel geldt zowel voor gasten als eigen inwoners.

Dat de oude vesting goed bewaard gebleven is, merk je wel tijdens een rondwandeling over de oorspronkelijke omwalling. Begin met ontdekken in het oude raadhuis van Sloten, waar behalve de VVV ook Museum Stedhûs Sleat in is gevestigd. De regtkamerop de eerste verdieping geldt als pronkstuk van dit schitterende huis. Vergeet de toverlantaarns op zolder niet; de unieke collectie van oud-inwoner Peter Bonnet spreekt bij jong en oud tot de verbeelding. De toverlantaarn – voorloper van de diaprojector – strooit kwistig met magie in dat kleine Sloten. Maar betoverd waren wij al.