Waterloopbos: een jungle van water, steen en weelderig groen

Dit artikel verscheen in Noorderland 2015-4.

Tekst: Jolanda de Kruyf | Fotografie: Natuurmonumenten en Jolanda de Kruyf

Diepgroen is dit magische stilleven van steen en water. Een uitbundige jungle waar stuwen, waterbekkens, sluizen en dammen in de vergetelheid zijn geraakt. Van proefmodel tot doelwit van een niet te stuiten woud aan wilg, berk, beuk en varen. Soorten die spontaan uit cement groeiden, want hier nam de natuur de regie over. En dát is precies de charme van dit bizarre bos. Het Waterloopbos: bijna een halve eeuw proeftuin van techneuten, nu een echt avonturenbos voor jong en oud. 

Welkom in het Waterloopbos. Waar de wereld gewoon binnen handbereik ligt. Kijk rond en verbaas je maar: de havens van Rotterdam of Bangkok, maar ook die van Istanboel, Beiroet en Lagos op een steenworp afstand van elkaar. Mini-exemplaren om de paar honderd meter. Modellen op schaal uit het computerloze tijdperk, replica’s van de échte waterbouwkundige werken in verre windstreken, op andere continenten. Waarom hier, op die spannende grens van oud en nieuw land in het Voorsterbos, het oudste bos van Flevoland? Da’s heel simpel: er was volop ruimte én expertise voorhanden.

Kom, dan keren we terug naar de oorsprong, naar hoe het begon. Nadat ingenieurs van het Waterloopkundig Laboratorium al flink wat jaartjes hadden gepionierd met onderzoeken in de tuin en in de kelder van de TU Delft, was de tijd rijp voor het serieuze werk. Big business. Het lab opende in 1951 een tweede vestiging in de Noordoostpolder: met een meer dan 100 hectare omvattend bosareaal als directe achtertuin, waar the sky the limit was. Letterlijk soms. Er werd nu eens in de openlucht, op grote hoogte, dan weer in de breedte of binnen, in megaloodsen gebouwd. 

Havens, kusten en rivieren

Zo’n 250 mensen werkten hier decennia lang aan honderden onderzoeken naar rivieren, havens en kusten in Nederland en waterwerken in de hele wereld. Een ongeëvenaarde locatie. Hier was een zee aan ruimte om bijvoorbeeld een complete kustlijn na te bootsen, rondom een fjord in Denemarken. Of de verbreding van de havenmond naar het Noordzeekanaal te onderzoeken. Technische bollebozen konden hun hart ophalen met reusachtige en uiterst gedetailleerde schaalmodellen. Dit bos was de ideale biotoop voor de geboorte van wetenschappelijke meesterwerken. Met dank aan de ondoorlatende keileembodem én de onbeperkte watertoevoer. Het Vollenhover Kanaal speelde een essentiële rol in het succes van de onderzoeken; het bos lag laag en water uit dit kanaal voedde de waterbouwkundige modellen constant. 

Dankbaar werd gebruik gemaakt van de omstandigheden. Er was een eigen waterinlaat, er werd een systeem van aan- en afvoerkanalen aangelegd en de ingenieurs maakten gebruik van de structuur van de polder, met kaarsrechte kavelsloten. Met die ingrediënten kon bijvoorbeeld worden berekend hoe wél de schepen, maar niet de golven binnen kwamen in de mond van de oliehaven van Libië. Of hoe de Willemsspoortunnel in Rotterdam, onder de Nieuwe Maas, het beste kon worden aangelegd. Met golfslagmachines werden de krachten van het water versus sluizen en beddingen, muren en dijkwerken onderzocht. Maar soms ook waren die tests verbluffend simpel: zo kon je de stroming ook bepalen aan de hand van in het water gegooide snippers papier.

Dat was wel even andere koek dan die droge grafieken en wiskundige becijferingen vanachter een bureau. ‘Nu zag je het water stromen, je zat er met je handen en voeten letterlijk aan, en in. Dat gevoel was fantastisch: het leefde écht.’ De ogen van Jules Overmars krijgen weer die glinstering als hij over zijn werk vertelt. Hij is een van de acht oud-medewerkers van het Waterlab die de excursies door “zijn” bos verzorgt en begrijpt best waarom het publiek smult van die rondleidingen. ‘Voor ons was het natuurlijk gewoon werk, maar het bos blijft intrigerend voor veel mensen, vooral omdat het al die jaren tijdens ons onderzoek hermetisch gesloten was. Dus dat maakt het allemaal extra geheimzinnig.’

Water en nog eens water

Mosgroene stroomgoten zijn nog een dankbare gastheer van water. Net als roestbruine ruïnes, overwoekerd door groen. Daarlangs stroomt het, altijd. Want het water is overal. Nog steeds. Het sist en het fluistert, het sijpelt en lispelt langs halfvergane muren en sluizen die al lang geen dienst meer doen. De schaalmodellen – ooit telde dit bos er wel zestig – zijn in onbruik geraakt, maar kregen een andere betekenis.

Die modellen doken vanaf de jaren vijftig redelijk lukraak op in het polderbos, er was tenslotte ruimte genoeg. Bij elke nieuwe opdracht werd een nieuw stukje bos als bouwterrein ingericht. Het vorige werd niet afgebroken. ‘We waren techneuten, geen natuurmensen,’ zegt onze gids en oud-ingenieur. ‘Maar we hadden wel oog voor de omgeving natuurlijk, en zorgden ervoor dat we niks vernielden. We hielden het bos tussen de Romeinstuwen ook netjes; we bouwden bewust om grote bomen heen, probeerden die te sparen.’ Na het vertrek van de onderzoekers zochten bomen en struiken hun eigen weg, niet gehinderd door mensenhanden. Wortelstelsels kraakten metersdikke fundamenten van beton, tastten metselwerk aan, zeeweringen erodeerden, mossen en schimmels kleurden betegelde watergoten. Zo vielen verweesde schaalmodellen van lieverlee ten prooi aan de natuur en raakten overwoekerd. 

Korte metten met experimenten

Het Waterlab vertrok in 1996. Nadat talloze mondiale successen waren geboekt maakte de computer korte metten met de tijd- en ruimterovende experimenten in het bos. De activiteiten verhuisden weer terug naar Delft. ‘We konden zaken als golven en stroming ook uitstekend via computersimulatieprogramma’s weergeven,’ vertelt Jules Overmars over hun vertrek. ‘Door die moderne ontwikkelingen waren de schaalmodellen niet meer nodig.’ Het bos met z’n markante proefopstellingen bleef achter en de verwaarlozing sloeg toe.

Er kwamen gelukszoekers op het gebied af; zo had een projectontwikkelaar ambitieuze plannen met het terrein, hij wilde er maar liefst duizend recreatiehuisjes neerplanten. Die plannen sneuvelden al snel. Het was een horrorscenario voor veel omwonenden, maar ook voor natuurbeheerders. Want die zagen wel welk proces zich hier, in het Voorsterbos voltrok. Sterrenmos bedekte de oevers, varens omringden de oude havens, in het water groeiden zomaar zilvergrijze wilgen. De ijsvogel fladderde ineens vrijelijk over voormalige Aziatische havenmonden en het Deense kusterosieproject bleek een waar paradijsje voor libellen. Vleermuizen verdrongen zich in het leegstaande reservoir van de Bangkok-loods, kikkers speelden tikkertje tussen scheefgezakte kademuren. Kortom, er bloeide en groeide van alles dat bijzonder waardevol was en dat mocht niet verloren gaan. Het besef dat er iets moest gebeuren werd sterker en in 2002 kocht Natuurmonumenten het Waterloopbos aan.

Vervreemdend stilleven

Sindsdien is er veel gebeurd. De bollebozen van het Waterlab ruimden plaats voor natuurexperts die er, voortaan, met andere ogen naar keken. Niemand kon ooit voorzien dat de modellen – nooit gebouwd “voor de eeuwigheid”, maar voor korte termijnonderzoek en dus opgetrokken van relatief goedkope materialen – symbool zouden staan voor het waterloopkundige onderzoek dat naoorlogs Nederland wereldwijd op de kaart zette. Nu herbergt het bos nog zo’n dertig proefopstellingen. Tien daarvan zijn weer “beleefbaar” gemaakt. Afbrokkelende cultuurhistorie en oprukkende natuur hebben zo samen toch iets moois tot stand gebracht: een vervreemdend stilleven. Hoewel, stil? Water stroomt er nog altijd. En er tjilpt, fluit, fladdert en ritselt van alles tussen het diepe groen. Langs de verharde bospaden doemt de ene na de andere verrassing op. Kleine grond- en luchtbewoners namen bezit van het industrieel erfgoed.

Restauratie is een ander verhaal. Een kostbaar verhaal vooral, dat door de status van Rijksmonument een zekere kans van slagen heeft. Bovendien, niet alle modellen moeten gerestaureerd. In sommige gevallen is “gecontroleerd verval” gewenst of genoeg, andere mogen verkommeren; omdat ze nu al dienst doen als biotopen voor soorten als de weerschijnvlinder, de ijsvogel of de grote gerande oeverspin. Daar wordt niet meer aan getornd. Zo krijgt de natuur ruim baan, maar dan wel mét behoud van dat unieke, vreemde en fascinerende stuk nationale geschiedenis.