Kleurentaal in de natuur: vijftig tinten rood

Tekst Kees Boele | Fotografie Kees en Stella Boele

Geen kleur zo geheimzinnig als rood. Aan de ene kant vrouwelijk zoet, aan de andere kant mannelijk, met de dreiging van onbekend gevaar. Yin en yang verenigd in één tint. In de natuur is kleurentaal net een rijk gesorteerd woordenboek. Elk dier verbindt er z’n eigen betekenis aan. Maar rood is meestal zonneklaar: verleiden óf afschrikken.

Niets zo veelzeggend als een boeket rode rozen. Al eeuwen de kleur van de liefde, zoete verleiding, een fleurige kus. Maar voor vogels betekent rood: voedsel. Voor lieveheersbeestjes is het een laatste waarschuwing en bijen zien helemaal geen rood, maar vliegen wel op klaprozen. Niets zo verwarrend als rood in het dierenrijk.

Verleidelijk voedsel
Voor apen betekent een rode flonkering in het groene bladerdek dat er een heerlijke vrucht te vinden is. Sappig, rijp en zoet. Spreeuwen en merels kennen die aantrekkingskracht ook. Rode kersen zijn zo onweerstaanbaar voor hen dat we naar zware middelen moeten grijpen om de vogels af te schrikken. Rood betekent hier “eet mij op!”. Een lekker hapje waarvoor je wel wat moet terugdoen, want voor niets gaat alleen de zon op. De plant levert graag wat smakelijks in ruil voor verspreiding van zaden. Vogels zijn daar heel geschikt voor. Zorg voor een zo aantrekkelijk mogelijke verpakking en maak zaden immuun tegen maagzuur. Een vogelsnavel heeft geen tanden en kan niets anders dan een vrucht in zijn geheel doorslikken. En als de vertering van het vruchtvlees wat vertraagd kan worden, is ook de verspreiding van de zaden gegarandeerd. Een merel is vaak al honderden meters verder gevlogen voordat de resten van de maaltijd met een ferme straal uitgescheiden worden. 

Lonkende wegwijzer
Rode bloemen willen juist níet gegeten worden. Opvallen willen ze wel, als kleurige vlaggen staan klaprozen te lonken in de berm. Letterlijk betekent dit “hier moet je zijn”. Er is echter wel een probleem: bijen en hommels kunnen helemaal geen rood zien en toch worden ze massaal gelokt door klaprozen. Dit raadsel werd eind vorige eeuw opgelost aan de Universiteit Groningen. Professor Doekele Stavenga en zijn studenten ontdekten dat deze bloemen ultraviolet licht reflecteren. En dat kunnen wij niet zien, maar bijen juist wel. Een rode klaproos in een akker wordt daarmee een lichtend baken in een zee van groen. Toen werd ook meteen duidelijk waarom bij ons zo weinig rode bloemen voorkomen. Insecten zien het eenvoudig niet. Dat we toch roodbloeiende kamerplanten uit verre streken hebben, betekent dat zij hun verleidingskunsten kennelijk op wat anders richten. Van spreeuwen wisten we al dat zij rood kunnen zien. En dat geldt dus ook voor tropische vogels als kolibries en honingzuigers. Zij leven van een dagelijkse slok nectar uit een rode of oranje gekleurde bloem. In onze noordelijke streken zouden ze niet kunnen leven omdat er van herfst tot vroege voorjaar nauwelijks bloemen zijn. 

Signaalrood: opgepast!
Maar rood is niet alleen de kleur van verleiding. Het universele stopteken is rood. Een bloedende wond geeft onbewust een adrenalinereactie. We worden alert, kijken om ons heen op zoek naar de oorzaak. We willen helpen maar tegelijk ook weg van de ramp. In de natuur is het net zo. Terwijl planten rood gebruiken om op te vallen en te verleiden, gebruiken dieren juist de tegenovergestelde betekenis. Een roodborstje of goudvink gebruikt zijn kleur om agressie uit te stralen naar soortgenoten. 

Meestal is de boodschap nog sterker. Gevaarlijk, oneetbaar of zelfs giftig met ook nog een vette zwarte streep eromheen als uitroepteken. Een bekend voorbeeld is het rode, zevenstippelige lieveheersbeestje. Kleine kinderen nemen ze graag in de hand totdat ze ontdekken dat deze zespotige kriebelaar het misschien toch niet zo fijn vindt. Met een stinkende, gele vloeistof wil het kevertje duidelijk maken dat het echt niet eetbaar is. Jonge vogels of zelfs bosmuizen willen het nog wel eens proberen, maar laten hun vermeende smakelijke hap direct weer vallen. Vrouwelijke, roodgekleurde spinnendoders en bloedbijen doen er nog een schepje boven op. Met hun angel kunnen ze een pijnlijke steek uitdelen.

Bedrieglijk echt
Rood als afschrikwekkend middel werkt zo goed dat onschuldige nachtvlinders en libellen hier graag gebruik van maken. “Weeskinderen” bijvoorbeeld, vlinders uit de familie van de spinneruilen. Ze zijn vernoemd naar de vroegere kleuren van het Amsterdamse weeshuis: rood en zwart. Overdag hullen ze hun voorvleugels in een bruingrijze jas. Plat op een boomstam zijn ze dan bijna onzichtbaar. Maar een speurende boomklever loopt er toch wel eens tegen aan. Snel opvliegen zou kunnen, maar dat kost energie. Veel effectiever is het veroorzaken van een schrikreactie. Even de achtervleugels tonen en flitsend rood doet elke vogelsnavel aarzelen. Die aanpak werkt overigens niet bij alle belagers; vleermuizen werken deze grote vlinders krakend naar binnen, met bijna een glimlach om hun smalle lippen. Zij zien in het donker geen kleuren en hun prooi zal dan ook andere wapens in de strijd moeten werpen om deze snelle vliegers te ontlopen.

Rood blijkt dus yin en yang tegelijk. Bloemen en vruchten tooien zich met een bijna vrouwelijke glimlach, zoet en verleidelijk mooi. Dieren dragen rood als stoere dreiging. Mannelijk en soms agressief, al dan niet als loze bluf.