Verrijking van ver: hoe de wereld naar de Wadden kwam

Dit artikel verscheen in Noorderland 2018-5.

Tekst: Marloes de Moor | Fotografie: Gert Tabak

De Waddeneilanden blinken uit in eigen producten, tradities, recepten en liedjes. Dankzij de zee en de scheepvaart barst het er van wereldse invloeden. Zeelieden brachten van alles mee uit de landen die ze bezochten en met een beetje geluk spoelen uitheemse producten ook spontaan aan! Van exotische Surinaamse kalebassen, opgezette kaaimannen en Russische tabakspotten tot Japanse oesters, Zuid-Afrikaanse dansjes en Scandinavische dames.

Op de brede, witte zandstranden van de Waddeneilanden is het makkelijk wegdromen. Turend over de uitgestrekte, golvende watervlakte vraag je je af wat zich achter de kaarsrechte streep van de horizon schuilhoudt. Staan ze daar ver weg net zo te mijmeren op het strand? Eilander zeelieden laten het niet bij dromen en verlangen. Op koopvaardijschepen trekken zij al eeuwenlang de wijde wereld in. In de eerste plaats natuurlijk om de kost te verdienen. Dat ze zo ook nog wat van de wereld zien, is mooi meegenomen.  

Doordat de eilanders altijd al sterk gericht waren op de zeevaart, zijn de Waddeneilanden nooit echt geïsoleerd geweest en kregen wereldse invloeden de kans zich te verspreiden. Vooral vroeger, toen er nog tijd was om van boord te gaan en een havenstad te bezoeken, namen zeelieden vaak bijzondere souvenirs mee. 

Terwijl de exotische elementen in de doorsnee Nederlandse woonkamer zich beperken tot hooguit een Boeddhabeeld, een Thailand-kalender of een Mexicaanse sombrero, hoef je in de huizen op de Waddeneilanden niet raar op te kijken van opgezette schildpadden, kaaimannen, door Indianen gemaakte kruikjes, bijzondere houtsnijwerken of zeldzaam serviesgoed. Deze zeemanssouvenirs gaan vaak al generaties lang mee en prijken trots op de dressoirs of schoorsteenmantels.

Bloedkoralen en kalebassen

Ook Terschellinger Pieter Sytema (66) heeft dankzij zijn zeemansbestaan inmiddels een schat aan uitheemse “trofeeën” in de huiskamer staan. Hij voer vanaf zijn 21ste tien jaar lang op verschillende koopvaardijschepen. ‘Ik had in die tijd nog het geluk dat ik wat langer van boord kon, zodat ik de gelegenheid had om wat te kopen. Vooral uit Zuid- en Midden-Amerika bracht ik veel mee. Zo heb ik beeldjes uit Santa Marta in Colombia, een bewerkt kistje uit de Dominicaanse republiek, een geheel uit hout gesneden etagère uit Suriname, twee kalebassen die als sambaballen fungeren en een aardewerken kruikje dat vermoedelijk door Indianen is gemaakt. Ook heel bijzonder is een grote schelp die ik vond op het strand van Grand Anse Beach op Grenada.’

Voor zijn moeder bracht Pieter, net als veel andere zeelieden, bloedkoralen uit Italië mee. Een snoer van bloedkoralen maakte deel uit van de Terschellinger klederdracht. Waren de vrouwen in de rouw, dan kochten zeelieden de zogeheten gitkralen, gemaakt van versteend hout. ‘Git werd voornamelijk gevonden bij de Britse kustplaats Whitby,’ vertelt Pieter. En dat stalen palmblad in zijn kamer? ‘Tja…’ Hij aarzelt of hij het zal vertellen. ‘Dat raakte 42 jaar geleden los van een monument in Pointe-à-Pitre op Guadaloupe. Hoe dat gebeurde weet ik niet meer, maar dat het aan boord en uiteindelijk hier in huis is beland, is zeker. Gelukkig zijn we niet aangehouden, want met dronken zeelieden heeft de politie over het algemeen weinig geduld,’ lacht hij.

De horlepiep dansen

Ook op Ameland stikt het van de zeemanssouvenirs vanuit alle windstreken. Lang hoefde Pieter Jan Borsch (66) dan ook niet te zoeken, toen hij een paar jaar geleden zeemanssouvenirs bijeen wilde brengen voor een tentoonstelling in Cultuurhistorisch Museum Sorgdrager in Hollum. ‘Veel Amelander families hebben een of meerdere souvenirs in huis. Zelf heb ik bijvoorbeeld een opgezette krokodil van 60 centimeter. Die nam mijn grootvader als zeevarende mee uit Zuid-Amerika. Hij is me dierbaar, omdat hij al zo lang in de familie is,’ vertelt Pieter Jan.

Ook bekend op Ameland zijn Japanse schilderijen, een kinderkajak uit Groenland, Zuid-Amerikaanse dienbladen, de Toejas, een voorraadbus van berkenbast, en Russische houten kommen, zoals de Riganappen en Archangelske bakken. Zie je in een commandeurshuis op Ameland twee schilderijen hangen met daarop de vulkaan Vesuvius bij dag en bij nacht, dan kun je er volgens Pieter Jan zeker van zijn dat een zeeman die in Italië op de kop tikte. ‘Deze schilderijen horen bij elkaar: op de ene afbeelding brandt de vulkaan, op de andere zie je alleen rook. Door erfenissen zijn ze vaak niet meer samen. Broer en zus hebben er dan elk één aan de muur.’

Maar zeelieden brachten meer mee dan souvenirs. Tot op de dag van vandaag voert de Folkloristische Dansgroep De Amelanders de rieldans en de horlepiep uit. De rieldans, die ook op Terschelling bekend is, komt oorspronkelijk uit Zuid-Afrika. De horlepiep is een Schotse vissersdans. Pieter Jan: ‘Dankzij de zeelui zijn beide dansen al sinds 1850 op het eiland. Hetzelfde geldt voor de internationale liedjes die zij aan boord zongen om het werk lichter te maken. Tot op de dag van vandaag worden die door Shantykoren ten gehore gebracht.’

Een kerk van juthout

Marian Woestenburg (66), telg uit een Vlielandse zeemansfamilie, kent vergelijkbare souvenirs die haar voorvaderen en ooms mee naar huis namen. ‘Ook zij kwamen thuis met kaaimannen, schildpadden, houtsnijwerk en serviezen. Mijn broer Gerrit bracht veel exotische recepten naar Vlieland. Ik weet nog dat hij zeer onder de indruk was van de clam chowder, een vissoep die in de zuidelijke staten van Amerika wordt gegeten.’ 

Onbewust zorgden zeelieden ook voor een verspreiding van uitheemse flora en fauna op het eiland. ‘Sommige schelpdieren, zoals de Amerikaanse strandgaper, kwamen vroeger niet voor op de Waddeneilanden en nu wel. Schepen verspreidden die in hun bilgewater over de hele wereld. Dankzij de Zeeuwen kwam de Japanse oester naar Vlieland. Nadat daar de oestercultuur door een virus verloren was gegaan, werd deze soort uitgezet in de Oosterschelde. Vervolgens kwam de oester bij ons in de Waddenzee terecht.’

Natuurlijk komt door vergane schepen en hun verloren ladingen óók van alles uit het buitenland op de Waddeneilanden terecht. Marian herinnert zich nog het Zweedse Schip Equador dat in 1956 uitbrandde en verging. ‘Mijn tante Annie heeft nog jarenlang serviesgoed van de Equador in huis gehad.' Eilanders hebben inmiddels al heel wat schuurtjes gebouwd met aangespoeld timmerhout uit Noorwegen, Zweden en Rusland.

Met juthout weten ze ook op Vlieland  wel raad. Zo zijn de kerkbanken van de  Vlielandse Nicolaaskerk geheel gemaakt van hout dat afkomstig is van vergane schepen uit verre landen. De preekstoel is gemaakt van aangespoelde deurtjes uit  een scheepswrak en de pilaren van masten. De kerk wordt daarom ook wel de historische zeemanskerk genoemd.  Binnen hangt een kroonluchter die admiraal Michiel de Ruyter in 1660 aan Vlieland schonk. Hij had die weer gekregen van de Zweedse koning.

Sporen van de walvisvaart

‘We bewaren hier ook walviskaken uit Groenland, die vroeger als grafmonument werden gebruikt,’ vertelt Marian. Ook op Ameland is volgens Pieter Jan een groot aantal van deze walviskaken bewaard gebleven. Zeelieden namen ze mee vanuit Groenland. ‘Wegens gebrek aan hout gebruikten Amelanders de kaken om palen voor hekken van te maken. Op verschillende plekken, zoals aan de Oranjeweg in Hollum, zie je de stukken kaak van 250 tot 300 jaar oud nog staan.’

Het zijn allemaal overblijfselen van de walvisvaart waarop Nederlandse, Deense, Duitse en Engelse schepen van de Noordse Compagnie zich in de 17de eeuw toelegden. Hierdoor ontstond contact met de Scandinavische landen. In het dialect van Terschelling, Ameland en Schiermonnikoog zijn nog steeds Scandinavische invloeden terug te vinden. ‘Wat dacht je van Hollum en Ballum? In Denemarken hebben ze Holm en Balm!’ zegt Pieter Jan.

Scandinavische schonen

Maar het meest tot de verbeelding spreken volgens Marian de vrouwen die door zeevarenden naar Vlieland werden gehaald. 

‘In het Trouwboeck van West-Vlieland, dat in het Rijksarchief in Leeuwarden ligt, staan heel wat huwelijken tussen Vlielander mannen met vrouwen uit bijvoorbeeld Hamburg, Dantzig, Londen, Stockholm, Rostock en Kopenhagen. Zij brachten hun eigen cultuur mee naar Vlieland. Nog steeds trouwen Vlielander zeelui met vrouwen vanuit de hele wereld.’  

Een van die vrouwen was de beroemde van oorsprong Noorse kunstenares Betzy Akersloot-Berg. Zij woonde van 1896 tot aan haar dood in 1922 met haar man Gooswinus Akersloot in het Tromp’s Huys aan de Dorpstraat, tegenwoordig museum. Achterin de tuin bevond zich het atelier van Betzy Akersloot-Berg. Zij liet dit eind 19de eeuw als bouwpakket uit Noorwegen komen. Vereniging Hendrick de Keyser heeft haar atelier geheel in oorspronkelijke staat gerestaureerd. Kunstenaars kunnen het huren om erin te werken. Tuin- en landschapsontwerpster Carien van Boxtel reconstrueerde de tuin in de Noorse geest van Betzy Akersloot-Berg. Betzy’s Tuun is nu een educatieve moes- en pluktuin voor en door eilanders en eilandgasten. 

Groenlandse oercultuur

Betzy Akersloot-Berg was niet de enige Scandinavische kunstenares die voet op Vlieland zette. ‘Mijn broer Gerrit had een relatie met de Deens-Groenlandse Vivi Hansen,’ vertelt Marian. ‘Zij kwam naar Vlieland om met Gerrit te gaan samenwonen. Inmiddels woont zij weer in Kopenhagen met hun twee kinderen, die een dubbele nationaliteit hebben en tweetalig zijn. Vivi gaf ons niet alleen de Deense cultuur van haar vader mee, maar ook die van haar moeder, een Groenlandse Inuit. Als kunstenares bracht zij de Groenlandse oercultuur tot leven in haar schilderijen. Vlielander amateurschilders maakten doorkijkjes naar de zee en wadtafereeltjes, maar zij schilderde een Inuit die een ijsbeer uitbeent.

Marian weet nog goed dat een van de dorpsgenoten Vivi een welkomstbezoek bracht. Gewapend met een struik boerenkool uit eigen tuin stond hij bij haar voor de deur. ‘Vivi verstond geen woord van wat hij zei, maar zijn uitgestoken hand en hartelijke glimlach hadden geen vertaling nodig. Nee, hij kwam niet binnen, zei de dorpsgenoot. Hij zou later in de week wel terugkomen om te vragen hoe de boerenkool gesmaakt had. Twee dagen daarna belde hij weer aan. Toen hij de kamer binnenstapte viel zijn mond open van verbazing. Op de tafel stond in een prachtige vaas de struik boerenkool!’

Naar huis met “kanaalkoorts”

Ook op Terschelling en Ameland brengen zeelieden al eeuwenlang vrouwen uit andere landen mee. In de periode van 1801 tot 1811 was op Terschelling meer dan een kwart van de huwelijken gemengd. ‘Zo kregen we nieuwe genen en andere culturen op het eiland,’ zegt Pieter Sytema. Zelf hield hij het bij de souvenirs die nog altijd mooie herinneringen in hem wakker maken. Nog vaak denkt hij terug aan zijn zeereizen, aan de oceanen die hij bedwong. ‘Ik wist dat het einde van de reis in zicht was zodra de temperaturen daalden en ik mijn witte tropenuniform moest inruilen voor het blauwe. Dan stak bij de meesten de “kanaalkoorts” op. Het vooruitzicht dat je bijna thuis was, deed vreemde dingen met je. Ik werd er
een beetje ongedurig van. Eenmaal in het Engelse Kanaal wist ik: morgen zijn we in Amsterdam. Het blauw van de Atlantische Oceaan werd het grijsgroen van een niet al te vriendelijke Noordzee. Met een beetje vreemde ogen keek ik vervolgens naar het Hollandse polderland dat aan me voorbij trok in het Noordzeekanaal.’

Uiteindelijk stapte hij met een koffer én een hoofd vol exotische herinneringen op de boot van Harlingen naar Terschelling. ‘Als ik in de verte de Brandaris weer zag, voelde dat als de overtreffende trap van thuiskomen.’ 

De Lerwickhondjes op Ameland en Terschelling

De Lerwick-hondjes van aardewerk worden ook wel schoorsteenmantelhondjes genoemd. Zeemannen kochten ze in Lerwick, de hoofdstad van de Shetlandeilanden. Volgens de overlevering verkochten prostituées uit de havensteden deze hondjes aan de vissers. De zeemannen hadden dan een goede reden om bij haar langs te gaan. Zo verhulden de vrouwen waar ze de mannen werkelijk mee van dienst waren. De hondjes werden ook wel gebruikt om te seinen. Als ze naar binnen keken, was de mevrouw bezet, waren ze naar buiten gericht, dan was ze vrij voor bezoek.  

De Noord-Amerikaanse Cranberry

De cranberry komt oorspronkelijk uit Noord-Amerika en kwam in 1845 bij toeval op Terschelling terecht. Daar spoelde een vat bessen aan. Een jutter dacht dat het om een vat wijn ging en nam het mee tot achter de eerste duinenrij. Toen het vat vol zure bessen bleek te zitten, liet hij het ter plekke achter. Zo verspreidde de soort zich over Terschelling. Ook op de andere Waddeneilanden komen cranberryvelden voor. Waarschijnlijk belandden de struiken daar door vogels die van de bessen aten en de zaadjes op de buureilanden weer uitpoepten.