Het raadsel van planten met dierennamen

Dit artikel verscheen in Noorderland 2016-6.

Tekst en fotografie: Gert Tabak

Zwanenbloem, ezelsoor, kievitsbloem, geitenbaard, vossenstaart, hanenpoot, biggenkruid, bokkenorchis, duifkruid, lijsterbes, schapenzuring, kikkerbeet, eendenkroos, schildpadbloem, daslook, havikskruid, koeienoog, krabbenscheer, vossenbes, mottenkruid. Veel planten gaan door het leven met een dierennaam, maar waarom eigenlijk? Soms is er een duidelijke link, af en toe blijft ‘t giswerk. 

Kattenstaart

Waarom deze plant met de wetenschappelijke naam Lythrum in het Nederlands “kattenstaart” heet is wel duidelijk, maar er zijn nog meer planten die ook zo’n zelfde soort bloeiaar hebben en die in de volksmond ook “kattenstaart” genoemd worden. Verwarrend, want blijkbaar zijn er kattenstaarten in totaal verschillende plantenfamilies. Dat is dus de reden dat we die soms moeilijk uitspreekbare wetenschappelijke namen gebruiken. Zodat iedereen wereldwijd weet welke plant we bedoelen. Dus we kunnen niet zonder die “moeilijke” namen. De kattenstaart waar we het hier over hebben is de algemeen voorkomende oeverplant langs sloten in ons Noorderland. Op de klei zijn ze wat zeldzamer. In de tuin zijn ze prachtig toe te passen met hun blauw-violet-roodachtige bloemenaren. Eén bijkomstigheid is voor mij erg belangrijk: deze “staart” trekt erg veel verschillende vlinders. Gelukkig voor die fladderaars zit er geen echte kat aan de staart vast.

Leeuwenbek

De bloem en ook de zaaddoos lijken met enige fantasie op de snuit van een leeuw, zoals de naam al doet vermoeden. In het wild zijn ze redelijk zeldzaam in onze streken; je ziet ze soms langs spoorwegen. Als éénjarige planten in de tuin zijn ze onmisbaar door hun lange bloei en grote rijkdom aan verschillende kleuren. De hele plant is licht behaard en een beetje kleverig. Lange tijd zijn ze populair geweest als snijbloem; zo nu en dan zie ik ze nog in de bloemenstal op de markt en dan scoor ik een boeketje. Op de een of andere manier hebben ze iets nostalgisch voor mij. Op de foto zie je de cultivar 'Black Prins', een mooie dieprode kleur die goed toe te passen is in de border. 

Snoekkruid

Snoekkruid is een plant die de overgang tussen land en water markeert. De bakermat van deze schitterend bloeiende moerasbewoner ligt in Centraal-, Midden- en Noord-Amerika. Toppunt van schoonheid is het heldergroene langwerpig-hartvormige blad met daarbovenuit stekend schitterende aren paarsblauwe orchideebloemen, die bloeien in de zomer tot in de herfst. Om die reden worden ze veel in grote vijvers toegepast. Tussen de wortels en de stelen in het water leven veel verschillende waterdieren, waardoor de tafel voor een roofvis als een snoek rijkelijk gedekt is. Zou de plant daarom zo heten? Ook schijnt het dat snoeken graag kuitschieten in de wirwar van de wortels. De bloemen worden goed bestoven door allerlei insecten, waarna er zaden gevormd worden; die smaken nootachtig en zijn lekker om te eten. 

Apenboom

De apenboom is een altijd groene conifeerachtige die van nature groeit in het zuiden van Chili en het zuidwesten van Argentinië. Er is in die
landen van herkomst een kapverbod ingesteld, en de boom heeft de status van een natuurmonument gekregen. Ze kunnen enorm oud, tot wel 1000 jaar, en heel groot worden. Er zijn exemplaren bekend die wel 50 meter hoog zijn en een stamomtrek van 2 meter hebben. Ze worden hier veel in tuinen toegepast, maar zo imposant zul je ze hier niet aantreffen; in arboreta (botanische tuinen) zie je zo nu en dan wel enorm grote exemplaren: indrukwekkend! De boom wordt ook wel apentreiter, apenpuzzel, kandelaarden of apenverdriet genoemd. Ik kan me goed voorstellen dat dit een van de weinige bomen is die inderdaad voor apen een ware puzzel is om in te klimmen; de boom geeft alleen maar frustrerend verdriet met z’n getreiter, want de naalden zijn omgevormd tot schubben met zulke venijnige scherpe stekels dat het onmogelijk is om in de boom te klauteren. Best frustrerend voor een aap, lijkt me zo.

Koekoeksbloem en slangenkruid

Een koekoek en een slang zijn waarschijnlijk geen goede maatjes in de vrije natuur, maar uit esthetisch oogpunt passen de namen van deze wilde planten juist heel goed bij elkaar. De koekoeksbloemen bloeien in het voorjaar, als je de koekoek hoort roepen. Op de plant zie je vaak kleine kloddertjes schuim, waarvan de mensen vroeger dachten dat het spuug van de koekoek was. In werkelijkheid komt het van de schuimcicade, een insect dat plantensap zuigt en zich met schuim overdekt, bij wijze van bescherming. 

Volgens de lijfarts van de Romeinse keizer Nero hielp de wortel van het slangenkruid, indien met wijn gedronken, tegen slangenbeten. Beide heemplanten worden goed bezocht door hommels, bijen en zweefvliegen. Bovendien is slangenkruid een waardplant voor veel vlinders, o.a. de distelvlinder.

Adderwortel

De adderwortel dankt zijn naam, hoe kan het ook anders, aan de slangachtige wortel. Ze kent verschillende volksnamen zoals addertong, bloedkruid, hertstong met bloemen, longenkruid, miltkruid, naterwortel, njirrewoartel (Fries) en slangenwortel, maar er wordt steeds dezelfde roze bloeiende plant mee bedoeld. 

Ze komen in de natuur nog spaarzaam voor, o.a. langs oevers van veenriviertjes, maar het lijkt erop dat het aantal in het wild weer wat toeneemt. In de tuin is het een dankbare plant die wel enigszins kan woekeren, vooral in vochtige, licht zure aarde. De plant werd vroeger gebruikt tegen scheurbuik, maar er zijn op dit moment nog veel meer medicinale toepassingen bekend, o.a. als bloedstelpend middel. Adderwortel kan goed als groente gegeten worden, met name de spruiten en het jonge blad: lekker in salades, soepen en als spinazie. Op de foto in combinatie met de Bulgaarse sierui.

Paardenbloem

De naam paardenbloem is geen hommage aan het paard, zoals je zou denken. “Paard” kan blijkbaar ook de betekenis hebben van “niet nuttig”; zoals de vruchten van de paardenkastanje niet eetbaar zijn en dus niet nuttig, en die van de tamme kastanje wel. Er zijn weinig planten die juist zo bruikbaar zijn als de paardenbloem. Hoewel deze vaste plant wordt beschouwd als onkruid, wordt hij al vele eeuwen gebruikt vanwege zijn talrijke medicinale eigenschappen, als kleurstof in voedsel en om te eten. Dieren zijn ook gek op de paardenbloem; konijnen, herten, eekhoorns, eenden en ganzen eten de verschillende delen van de plant. Het zou goed zijn voor darm en nieren, en bij runderen voor de melkproductie. Ook rookten boeren vroeger hun huis en stallen uit met paardenbloemen, om hun boerderij te reinigen. 

Bijenorchis

De bijenorchis is een zeldzame orchidee, met verleidelijke wulpse bloemen; voor mannelijke bijen tenminste. Ze is de kampioen van mimicry, de kunst om een insect na te bootsen. Ze produceert zelf geen nectar, maar tracht mannelijke wilde bijen te verleiden om met de bloem te paren en op die manier het stuifmeel te verspreiden. Deze bijzondere orchidee is in ons land wettelijk beschermd. Ze groeit op kalkhoudende, vochtige graslanden die in het verleden verstoord zijn geweest, zoals verlaten akkers, kwellende dijken, in duinen en op industrieterreinen. In het Noorderland komt ze alleen sporadisch voor in Friesland, maar het gaat steeds beter met deze bijzondere orchidee. Voorwaarde voor groei is een wortelschimmel waarmee de plant in symbiose leeft; zonder die schimmel dus geen orchidee. De zaden zijn zo klein dat ze geen reservevoedsel bevatten en daarom zijn ze voor de ontwikkeling afhankelijk van de wortelschimmel die de kiem moet voeden. Later zorgt de schimmel voor de water- en mineralen toevoer. 

Ooievaarsbek

Laten we eens even lekker moeilijk doen: wat wij in de volksmond geranium noemen zijn meestal Pelargoniums. We bedoelen dan de niet-winterharde planten – met vaak rode of roze bloemen – voor in balkonbakken. De wetenschappelijke naam van deze Pelargonium betekent letterlijk vertaald ooievaarsbek (maar die bedoelen we hier dus niet!). De planten in de tuin die we ooievaarsbek noemen behoren tot de andere plant-familie Geranium (tuingeranium) en dat betekent letterlijk vertaald kraanvogel. Om het wat ingewikkelder te maken is er ook nog een familielid dat reigersbek heet, met de wetenschappelijke naam Erodium. Hier hebben we het over de tuingeranium, die we dus ook ooievaarsbek noemen. De langwerpig puntige zaaddoosjes doen inderdaad denken aan de snavel van de ooievaar. 

Wolfsmelk

De wolfsmelk heeft erg veel familieleden – wel zo’n 2300 – in allerlei nationaliteiten, die overal op de wereld voorkomen. Er zijn neefjes en nichtjes die een kruipend bestaan leiden, ooms en tantes die tot de stekelige cactussen behoren, en grootouders die bomen of struiken zijn. De Nederlandse naam wolfsmelk wijst op het melksap dat een belangrijk kenmerk van dit geslacht is. Het sap is vaak giftig, gevaarlijk voor huid en ogen, en de “wolf” in de betekenis van “duivel” werd gezien als de veroorzaker. Een ander versie is dat de naam wolfsmelk gebruikt wordt omdat de branderige, bijtende smaak van het witte melksap even pijnlijk is als de beet van een wolf. Dit sap schijnt trouwens ook wratten te kunnen laten verdwijnen. De betoverende schoonheid van veel familieleden maakt dat er veel leden van het geslacht gebruikt worden als sierplant, zoals bijvoorbeeld de kerstster die we in december in huis halen en die vooral opvalt door de fraaie rood, roze of witgekleurde schutbladeren rond de bloem. Hier staat de wolfsmelk tussen de echte koekoeksbloem.

Berenklauw

Beren zien er vaak aandoenlijk uit, vooral als ze jong zijn, maar hun klauwen zijn levensgevaarlijk. Eén flinke uithaal kan je zwaar verwonden. De klauwvormige bladeren van de indrukwekkende plant berenklauw zijn haast even gevaarlijk! Veel mensen denken dat de plant giftig is, maar dat is niet het geval. Voor schapen is de plant zelfs een heerlijke delicatesse. Toch kan de plant je erg verwonden en zelfs blind maken doordat de brandharen van de plant een sterk geurende, vluchtige olie loslaten, zodra ze aangeraakt worden. Het maakt de huid meteen overgevoelig voor ultraviolette straling uit het zonlicht, waardoor ontstekingen en brandwonden ontstaan, die binnen enkele uren overgaan in blaarvormige en pijnlijke ontstekingen, en zwerende wonden. De monumentale berenklauw is prachtig, maar niet zonder handschoenen aan te pakken! Houd je hele lijf bedekt als je bij ze in de buurt komt.

Ganzenbloem

Dit vrolijke gele margrietje is van oorsprong een wilde plant die bij de akkerkruiden hoorde, zoals de korenbloem, de bolderik en de papaver. Ze is familie van de chrysant en leeft maar één seizoen waarna ze zich massaal uitzaait, vooral op zanderige gronden. De bladeren zijn te eten en worden in China en Japan in verschillende gerechten gebruikt. In ons land is ze verwilderd en ook bij ons in het Noorden komen ze sporadisch voor, maar van oorsprong komt de plant uit West-Azië, Zuid-Europa en het Middellandse Zeegebied. Tegenwoordig zijn er ook veelkleurige selecties voor de tuin in de handel, als bloemen in pot, en als zaad. Als de plant in een vroeg stadium getopt wordt, zal ze rijk bloeien tot aan de vorst. Als de gele ganzenbloem bloeit dan worden de jonge ganzen de wei in gestuurd, vandaar de naam.