Eerste hulp voor wild leven

Tekst: Kees Boele | Fotografie: Kees Boele en Faunavisie

Een piepjong musje dat uit het nest is gevallen, een bontbekplevier met een gebroken vleugel of een verlaten reekalf; voor alles wat leeft is een plek bij Faunavisie. Het wilde dieren-hospitaal van Groningen en Drenthe is de grote droom van Pim Lollinga en laatste redding van veel dieren. Maar de eerste hulp staat zelf ook onder grote druk.

Grommend start de motor van een grote grijper. De bek zwaait open, enkele laatste boomstammen worden opgepakt en op een vrachtwagen gelegd. En dan ziet de toekijkende chauffeur iets kleins, grijs en bewegelijks. Bijna onhoorbaar klinkt een zielig piepend geluidje: een steenmartertje. Eén week oud en nu al alleen op de wereld. Sterke armen nemen hem liefdevol op, bellen de Dierenambulance en met gezwinde spoed gaat het naar de eerste hulp van Faunavisie. 

Hordes toeristen jakkeren bijna dagelijks door Westernieland. Op weg naar het naburige Pieterburen en de beroemde zeehondencrèche passeren ze nietsvermoedend het laatste reddingstation voor gewonde wilde dieren.

Springende kikkers

Pim Lollinga is een man die er mag zijn. Fors van postuur en als oud-cafébaas zeer aimabel in de omgang. Tegenwoordig zou je hem een mensen-mens noemen, maar zijn hart ligt bij de dieren. Als achtjarig knulletje was hij er al van overtuigd dat de kikkers achter de Harlinger zeedijk niet zonder zijn hulp konden. Omdat zijn knuisten toen minder toereikend waren, werd moeders zeef geleend, aan een stok gebonden en alles wat maar sprong en kwaakte in een emmer naar huis gedragen. Helaas bleek daar de opvang toch wat lastiger dan gedacht. Toen zijn ouders thuiskwamen na de zondagse kerkgang was elke prullenbak en plantenpot gevuld met ondankbare gasten die er voortdurend uitsprongen. Kennelijk heeft deze ervaring grote impact gehad, want nu beperkt Pim zich tot gevederde en behaarde dieren.

Zeehond en koet

Studeren was niet echt zijn ding. Veearts worden bleek dan ook onbereikbaar maar na een korte tijd als dienstplichtig soldaat en timmerman werd hij preparateur. Elk dier leerde hij letterlijk van binnen en buiten kennen. Toch lag zijn echte roeping toen nog achter de horizon. Pas nadat hij zijn café verkocht had en samen met zijn vrouw Mieke in Westernieland was neergestreken, kwam de grote droom binnen handbereik. Het begon allemaal in 2002. Een dodelijke virusziekte trof onze Nederlandse gewone zeehonden. Om verdere uitbraak te voorkomen moesten alle aangespoelde kadavers opgeruimd worden. Pim werd vrijwilliger en zou uiteindelijk meer dan duizend dieren afleveren voor verder onderzoek in Wageningen. Maar langs de dijk lag veel meer. Door storm, ziektes of olie aangespoelde zeevogels waren vaak nog in leven en werden meegenomen naar vogelasiel Fûgelpits, toen nog in Anjum gevestigd. Al snel werd Pim gevraagd deze meeuwen, alken, zeekoeten en Jan van Genten zelf op te vangen, als een soort buitenpost van de Fûgelpits. Maar de Algemene Inspectie Dienst dacht daar anders over; het houden van beschermde dieren was illegaal en er moest maar eens een voorbeeld gesteld worden. Er werd een proces-verbaal uitgeschreven en een boete van 15.000 euro opgelegd. 

Droom krijgt gestalte 

Voor Pim en Mieke werd een uitweg gevonden. Als ze een tijdelijke vergunning zouden aanvragen die door het ministerie gehonoreerd werd, mochten de dieren blijven en werd de boete weggestreept. Vijf lange jaren van onzekerheid volgden. Pim bleef al die tijd hopen op een goede afloop. Die kwam er. In 2014 kwam de lang verwachte vergunning en de veroordeling werd tenietgedaan. 

De droom kreeg alsnog gestalte. Meer dan twee ton aan eigen geld werd geïnvesteerd in de bouw van dierenverblijven, terreininrichting en behandelruimtes waar veeartsen hun werk zouden kunnen doen. Omdat het tweede wilde dierenasiel van Noord-Nederland, in het Friese Ureterp, geen ruimte had voor opvang van gewonde of verstoten jonge reeën werd met hulp van de Stichting Dierenlot nog eens 3500 m² ingericht. Niet voor eerste hulp maar om de herstelde dieren, met elkaar, weer te laten wennen aan een terugkeer naar de vrije natuur. Meestal is dat in het beschermde natuurgebied Lauwersmeer, maar sommige dieren blijven in de omgeving en keren af en toe zelf even terug naar Westernieland.

Hulp van vrijwilligers

Dieren opvangen betekent dieren verzorgen. En dat 365 dagen per jaar, 18 uur per dag voeden, schoon houden, medicijnen toedienen en alles wat maar bij patiëntenzorg komt kijken. Pim en Mieke staan er niet alleen voor; vrijwilligers uit de wijde omtrek komen meehelpen. Van gras maaien tot kleine klusjes, alles wordt opgepakt. Een dierenarts is altijd stand-by om bijvoorbeeld even een baby-eekhoorn te onderzoeken; gevonden in Assen en nu op transport voor opvang bij Faunavisie. Heel veel steun hebben ze ook van stagiaires Dierverzorging (Groningen) en de mbo-opleiding Dierenartsassistent (Leeuwarden). Zo werd Marras Wesselius plaatsvervangend moeder voor de jonge steenmarter. Zij neemt alle tijd om even te spelen en te knuffelen zoals zijn echte moeder ook gedaan zou hebben. Na een half jaar zal het jonge dier zijn eigen weg weer kunnen vinden.

Financiële donderwolk

Faunavisie is geslaagd en tóch hangt er een financiële donderwolk boven het hoofd van Pim en Mieke, hun medewerkers en de dieren in Westernieland. Alle investeringen voor de dierenverblijven zijn weliswaar afbetaald of gefinancierd door sponsoren als Dierenlot, de Hengelsportfederatie en Groningen Seaports, maar voor voeding en huisvesting is nog eens jaarlijks 45.000 euro nodig. Geld dat tot op de dag van vandaag uit eigen zak betaald wordt door Pim en Mieke, ‘maar over een paar maanden is de bankrekening definitief leeg,’ stellen zij somber vast. ‘Stel dat Faunavisie de deuren moet sluiten, dan kunnen de Dierenambulance en Dierenbescherming in Groningen en Drenthe nergens meer naar toe met gewonde of verzwakte wilde dieren.’ 

Meer weten over het werk van Faunavisie of de mogelijkheid om donateur te worden? Kijk op faunavisie.nl