'Sommige beesten wil je niet in huis hebben'

Tekst: Charlotte Pennink | Foto: iStock

Charlotte Pennink is actief als freelance boekverkoper en tekstschrijver en woont de helft van het jaar in Groningen en runt het andere half jaar een Bed & Breakfast in Frankrijk.

Schemerkade

Ik zit in de erker op de eerste etage, mijn favoriete plek in huis, en kijk naar buiten. Het schemert en de rookslierten van de woonschepen kringelen loom omhoog. Windstilte. Meerkoeten schelden elkaar uit met schrille kreten, eenden scheren over het water op zoek naar een plekje voor de nacht en hoog in een nog bladloze linde zingt een merel. Achter de geparkeerde auto’s loopt een jonge rode kat. Hij kijkt schichtig om zich heen, richt zijn kop op en snuift de avondgeuren aandachtig op.
‘Moet kunnen,’ zie ik hem denken, en behoedzaam zet hij zijn wandeling voort. Vanachter de coniferenhaag sluipt een dikke grijze kater naderbij. De rode heeft niks in de gaten. De dikke maakt zichzelf onzichtbaar in het hoog opschietende onkruid, de oren plat en de blik vastgeklonken aan zijn rode prooi. Met een elegante sprong belandt de dikke bovenop de rode. Een verontwaardigd geblaas, wat rondvliegende rossige en grijze plukken haar. Verder geen geluid. Even later vervolgt de rode zijn weg, hij steekt over en loopt verder door de voortuintjes van de huizen aan de kade. De grijze zit midden op straat breeduit zijn poten te wassen. Hij lijkt zeer in zijn nopjes met zichzelf, alsof hij een geweldig goede grap heeft uitgehaald. Dan wandelt hij zelfverzekerd de andere kant op.

Het is nu bijna donker, ik knip de lamp aan en vanuit mijn ooghoek zie ik alweer een kat opdoemen. Hoewel, deze beweegt wel erg “onkats”. Het beest heeft nu mijn onverdeelde aandacht. Als hij achter een auto vandaan komt, realiseer ik me dat het een steenmarter is. Met een soepel, soort golvend gangetje struint hij langs de heg waar net nog de rode kat liep. Wat een prachtig dier! Tegelijkertijd moet ik meteen terugdenken aan vorige winter, toen er vaak een zware putlucht in huis hing. De rioolexpert constateerde dat er met onze afvoer niks mis was. Maar ja, die stank vond ook hij vrij heftig. Hij besloot de kruipruimte te verkennen. De man trof geen rare dingen aan, maar ontdekte wel dat de stank aan de voorkant veel sterker was en dat de kruipruimte daar deels afgesloten was. In de meterkast keek hij met een zaklamp langs de leidingen in de ruimte eronder en stuitte op iets bruinharigs met een kraaloogje. De stank was niet te harden. Deze steenmarter had de weg naar buiten niet teruggevonden.

'Natuur is mooi, maar sommige beesten wil je niet in huis hebben.'

Met purschuim hebben we de kieren naast de leidingen dichtgemaakt, de luchtroostertjes naar de kruipruimte werden vernieuwd. Inmiddels hebben zijn soortgenoten diverse pogingen ondernomen de roosters te slopen. We blijven dus alert. Deze avond besluit de marter linksaf te slaan, het tuintje in dat bij het woonschip tegenover ons hoort. Natuur is mooi, maar sommige beesten wil je niet in huis hebben.

Mijn stukje teruglezend voel ik een zekere mismoedigheid opkomen. Natuur beleven is één, haar beschrijven is toch een heel ander verhaal. Ik moet nog veel leren, weet ik na het lezen van De onsterfelijke nachtegalen, het natuurdagboek dat Aaldrik Pot (mijn voorganger als columnist op deze plek) en Barbara de Beaufort een jaar lang bijhielden. Een fascinerend en inspirerend boek, vol mooie waarnemingen en gedachten die op hun beurt weer tot nadenken stemmen. Ik zeg: lezen dat boek! 

Deze column verscheen in Noorderland 2018-4, bestel 'm hier.