'Er wordt nu even niet gebeld, maar alleen geblaat'

Tekst en foto: Ankie Lok

Ankie Lok (1981) werd geboren in Groningen en groeide op in Drenthe. Ze woont en werkt in Amsterdam en komt nog geregeld in het Noorden.

Onweerstaanbaar

Natuurbeleving vraagt soms om een aangepast tempo. Om het tempo van de natuur zelf: kuierend. Zeker op een middag met een missie. We willen het groentje vinden. De zeldzame, goed gecamoufleerde vlinder – groen op groen – zou nu moeten rondfladderen. Met de zojuist aangeschafte vlindergids in de rugzak stappen we richting het Dwingelderveld, op een weg die we moeten delen met een eindeloze stroom fietsers. ‘Het lijkt hier de Kalverstraat wel,’ grapt mijn vriend nog.

Op de driesprong bij het natuurgebied vergaat het lachen ons. Als wandelaar heb je vanaf dit punt steeds twee keuzes: het fietspad of het ruiterpad. Asfalt of zand. Rinkelende fietsbellen of een stoffige martelgang. De Haarlemmer vriend met wie we op pad zijn, begrijpt niets van deze ordening der wegen. ‘Hoe werkt dit?’ vraagt hij radeloos. Het antwoord ligt besloten in de provincienaam: Drenthe behoort nu eenmaal toe aan de fiets. Het vervoermiddel prijkt samen met diens berijders al decennialang op ansichtkaartjes. De elektrische fiets stuwt inwoners en toeristen nu naar ongekende snelheden.

'Drenthe behoort nu eenmaal toe aan de fiets'

Ooit was Drenthe van de wandelaar. Van Jacob van Lennep, die in 1823 samen met Dirk van Hogendorp door Nederland trok. In hun dagen functioneerde er nog niets elektrisch; de gasverlichting was net aan haar opmars begonnen. In zijn verslag van de tocht vangt Van Lennep het Drentse landschap in de nauwkeurige observaties van de voetganger: Bij ’t voortgaan werd de grond kleiachtiger en vruchtbaarder. Tussen Valthe en Zweeloo schetst hij omstandig een luchtspiegeling: Nu wandelden wij twee en een half uur door rul zand en schrale heide; van verre zagen wij groote zeeën en aan derzelver overzijde bosschen en dorpen; doch het bleek bij ’t naderen dat dit alles slechts een optisch bedrog en zoogenaamd “mirage” was.

Met in de hand de vlindergids houden wij halt bij een struik. ‘Hebbes,’ roept onze vriend. Appelgroene exemplaren zitten in de zon met hun iriserende vleugels te pronken. Na een tijdje zien we zelfs hoe rivalen elkaar beginnen uit te dagen, met de in het boekje beschreven spiraalvormige dans. Ondertussen suizen de e-bikes voorbij. We kiezen weer het ruiterpad. In de verte ontdekken we toch nog meer wandelaars op de hei – een schaapskudde. Twee herders met staf drijven de dieren bijeen, bordercollies liggen in de startblokken om te assisteren. Dan dringt het tot ons door: ze willen het fietspad oversteken. 

Ik zie het al helemaal misgaan. Maar de herders lopen onverstoorbaar door, de schapen al net zo. Op commando begeeft een leidschaap zich dapper op de verharde weg. Een laatste fietser slalomt er nog langs. Anderen minderen vaart, stappen af, lijken het tafereel best te willen gadeslaan. Er wordt op sturen geleund. En er wordt nu even niet gebeld, maar alleen geblaat; het eeuwenoude geluid van het Drentse heideschaap. Zonder brokken staat binnen een paar minuten de hele kudde aan de overkant, waar het trage grazen verdergaat.

‘Ik snap die fietsers wel,’ pleit mijn vriend later. ‘Het is toch heerlijk om over zo’n uitgestrekt veld te zoeven.’
Maar ik schud mijn hoofd. Geef mij liever een paar wandelschoenen.