Met de bus

Tekst: Ankie Lok | Foto:  Mantas Hesthaven / iStock

Ankie Lok (1981) werd geboren in Groningen en groeide op in Drenthe. Ze woont en werkt in Amsterdam en komt nog geregeld in het Noorden.

'Ik kom wel met de bus,’ had ik gezegd. Mijn moeder wilde me met de auto ophalen, zoals altijd, maar dat leek me nu eens niet nodig. Ik heb tenslotte heel wat ervaring met de bus. Twee lijnen beheersten mijn schooltijd: 10 en 28. Lijn 10 ging naar Winschoten, lijn 28 naar Stadskanaal. Allebei kwamen ze door mijn Drentse woonplaats. De bussen stopten midden in het dorp, op de Brink. Zo haakten ze hun routes over de provinciegrens.
Het liefst zat ik altijd in de gele GADO-bussen, die toen langzaamaan op hun retour waren. Ze veerden heerlijk. De stoelen, waar je zo diep in wegzonk, waren van bordeauxrood of bruin skai en de geur in deze voertuigen heb ik nergens anders ooit meer geroken; het zal een mengeling van oude bekleding en brandstof zijn geweest. We hebben het trouwens over de tijd van de walkman, dus de “afgezonderde” reiziger was toen allang een feit, laten we daar niet nostalgisch over doen.

'Het liefst zat ik altijd in de gele GADO-bussen'

De ronde, zwarte stopknoppen zaten tussen de raamspijlen. Niet zelden moest je opstaan om erbij te kunnen. Daarna ging er een rode lamp branden op de wand achter de chauffeur. Geen piepjes, geen digitale reclame. Geen aanduidingen van de bushaltes. Wat dat betreft is er evenmin reden voor geromantiseerde herinneringen. Onderweg naar onbekende oorden vertelt nu de techniek je gewoon wanneer je moet uitstappen.

Op de routes van de GADO verscheen voorts Arriva, daarna heb ik ook nog in zeegroene Interliners gezeten. Toen verhuisde ik naar Amsterdam en verloor ik de grip op het noordelijke ov. In Amsterdam spreekt niemand van “lijn”, maar van een zelfstandig nummer, of het nou om de bus, tram of metro gaat: “de 18”, “de 51”. Dat klonk mij eerst gek in de oren. Ik maakte eruit op dat het hoofdstedelijke ov zo’n beetje bij de inboedel hoort. In het Noorden daarentegen was het een belevenis als je de bus nam: het betekende dat je je dorp uit ging.

Af en toe hoorde ik mijn moeder nog in raadselen spreken over een ov dat steeds verder van me wegdreef. Kobaltblauwe Qliners werden in het dorp gesignaleerd. Ondertussen keerde een studiegenootje opgewonden terug van een reis naar Georgië, met verhalen over – jawel – GADO-bussen. Onze afdankertjes reden inmiddels in Tbilisi rond, ‘met de stickers van 9292ov er nog op’. Ik had een hele avond nodig om bij te komen van dit verraad. Op onze wegen diende zich ten slotte wéér een troonopvolger aan, de rood-grijze Qbuzz.

Die laatste moest ik nu hebben. In plaats van op de Brink houdt de bus tegenwoordig stil bij het ov-knooppunt, naast een grote rotonde en ver buiten de dorpskern. Een computerstem riep de halte om. Het was al donker, maar bij daglicht had ik ook weinig bijzonders gezien: de route werd nogal
machinaal geweven over de snelweg. Het zal ook komen doordat mijn ouders pas verhuisd zijn, het dorp uit, maar zo sloeg toch nog de heimwee toe. Gelukkig rijden mijn ouders al 15 jaar in dezelfde auto. De volgende keer mag mijn moeder me weer ophalen. 

Deze column verscheen in Noorderland 2-2018. Haal 'm nu in de winkel of bestel hem hier.