Lichtplan

Tekst: Ankie Lok | Foto: 007filip / iStock

Ankie Lok (1981) werd geboren in Groningen en groeide op in Drenthe. Ze woont en werkt in Amsterdam en komt nog geregeld in het Noorden.

Flits, deed de lamp. En toen was het donker in de berging. ‘Waarom gaan alle lampen ineens kapot?’ riep mijn vriend toen ik naar het plafond wees. Bij ons thuis ga ik over de orde, hij over de techniek. Een paar dagen eerder had de lamp in de slaapkamer het ook al begeven. Sinds de gloeilamp in de ban is gedaan, breekt het koude zweet me elke keer uit. Sta je daar even later weer voor het schap in de supermarkt. Welke moeten we ook alweer hebben? Spaarlamp, led of halogeen? Spaarlampen komen langzaam op gang en dat is in een berging helemaal niet handig. Zo kan de schepper het licht nooit hebben bedoeld. Led en halogeen klinken veel te industrieel voor een knusse kap. En om het nog ingewikkelder te maken: de hele sfeer in huis hangt af van je “lichtplan”, zoals een architect die we hielpen met verhuizen het noemde.

'De sfeer in huis hangt af van je lichtplan'

Ook in het Westerkwartier en Hunsingo kan de behoefte aan een lichtplan opkomen. De ogen van de stedeling, verwend door lichtvervuiling, moeten in die donkere streek – waar ook Dark Sky Park Lauwersmeer ligt – echt even wennen. Op weg naar Eenrum verlieten we vlak voor de stad Groningen de A7. Wat volgde waren schitterende slingerwegen, langs akkers en rooiende bietenboeren. In het daglicht hadden we onze ogen uitgekeken. Tegen elven ’s avonds arriveerden onze vrienden, in het pikkedonker. ‘Wat een bochten,’ klaagde de vrouw van het stel, die vanuit Haarlem had gechauffeerd. ‘Er kwam maar geen einde aan. En nergens lantaarnpalen!’ Stuurmanskunsten in de duisternis.

Ook de boeren moesten die ten beste geven. Vanuit de huiskamer had ik al urenlang bestudeerd hoe ze hun suikerbieten binnenhaalden. Het gebrul van de machines in de verte bereikte ons als een dof gebrom. De bietenrooiers lieten zich niet weerhouden door het donker. Zelfs door het slaapkamerraam zagen we heldere stipjes bewegen. ‘Nog één keer kijken,’ zei ik, terwijl ik de gordijnen opzijschoof. De trekkers waren uitgerust met een soort bouwlampen. Verbluffend fel baanden ze zich als supernova’s een weg door de nacht. Toen ik de volgende ochtend mijn ogen opendeed, spitste ik meteen de oren. ‘Ze zijn alweer bezig, hoor,’ mompelde mijn vriend. Het schemerde nog boven de klei.

Misschien is het geen toeval dat juist in Eenrum, vlak bij het Dark Sky Park en tussen de bietenakkers, een kaarsenmakerij staat. Op zoek naar souvenirs bezochten we de winkel. Het bleek een klein heiligdom. Overal kaarsen in allerlei formaten, vormen en kleuren. We kozen eentje van paarse en gele was en een grasgroen duo, de lonten nog aan elkaar. Een tweeling van licht.

Ondertussen bleef de berging bij ons thuis nog altijd in duisternis gehuld. In de supermarkt trok ik uiteindelijk een onduidelijk peertje uit het schap. Energy, stond er heel groot op. Daarnaast een cryptische boodschap over het aantal lumen, want met de gloeilamp is ook de wattage in de prullenbak verdwenen. Dat is trouwens het voordeel van die goede oude kaars: geen hoofdbrekens over type of sterkte. In een flits brandt hij gewoon. Dát is pas een lichtplan.

Deze column verscheen in Noorderland 1-2018. Bestel het nummer hier