Cultuur

Rechtop naar bed: waarom de bedstee niet te klein was, maar we vroeger halfzittend sliepen

Wie in een museumhuis voor een opengeschoven bedsteedeur staat, vraagt zich waarschijnlijk af hoe een volwassene hier ooit in paste. De verklaring dat mensen vroeger simpelweg kleiner waren, klopt niet helemaal. Onze voorouders kozen er namelijk bewust voor om niet plat te liggen, en de reden achter die opmerkelijke gewoonte is verrassender dan je denkt.

Romy van der Lingen
2 minuten
Historie
Terug naar vroeger
Bedstee halfzittend slapen
Interieur van het arbeidershuisje bij Borg Verhildersum in Leens, met links een bedstee. Foto: Adobe Stock

In Nederlandse huizen nam de bedstee eeuwenlang een centrale plek in. Vanaf de 17de eeuw werden deze slaapcabines gebouwd achter houten wanden of in een nis van de muur, vaak direct grenzend aan het woonvertrek of de keuken. Zo profiteerden de bewoners van de warmte van het vuur, terwijl sluitende deuren of gordijnen de kou en de tocht buiten hielden.

Halfzittend slapen uit overtuiging

Dat de bedstee zo opvallend kort is gebouwd, heeft te maken met de manier waarop men naar gezondheid en de dood keek. Van de middeleeuwen tot ver in de vroegmoderne tijd leefde de overtuiging dat languit liggen gevaarlijk was. Men geloofde dat er bij een volledig liggende houding te veel bloed naar het hoofd zou stromen. Bovendien werd gestrekt liggen geassocieerd met het sterfbed; alleen overledenen lagen immers plat op hun rug.

Om te voorkomen dat men tijdens de nacht onderuit zakte, werd de bedstee voorzien van een stevige 'peluw': een langwerpig, stevig onderkussen dat tegen de achterwand lag. Daarbovenop kwam een kleiner hoofdkussen, zodat de slapende persoon in een comfortabele, halfzittende houding bleef rusten. Omdat de benen licht gebogen lagen, was een bedlengte van circa 1,50 meter ruimschoots voldoende.

Het nachtelijk huisraad

Het interieur van de bedstee was ingenieus ingericht om de beperkte ruimte optimaal te benutten. Vaak bevond zich in de stee een beddenplank met daarop bijvoorbeeld een po voor nachtelijk gebruik. Bevestigd aan het plafond hing steevast een dik touw met een kwast, dat in de volksmond de "troetel" of "beddenlichter" werd genoemd. Aan dit touw kon men zich 's ochtends gemakkelijk omhoogtrekken tot een zithouding.

Bij gezinnen met veel kinderen bood de bedstee ook plaats aan de allerkleinsten. Baby's sliepen in een kribbe, een houten bakje dat boven het voeteneind aan de muur werd bevestigd. Volgens oude volksverhalen kregen onrustige baby's de stof van de troetelkwast in hun handjes om op te sabbelen, wat in de volksmond wel eens wordt aangehaald als herkomst van het woord 'troetelkind'. Voor de grotere kinderen schoof men simpelweg de brede lade onder het bed uit: de slaapplaats voor het 'ondergeschoven kind'. Hoewel deze uitdrukkingen waarschijnlijk later pas zijn bedacht, geven ze een mooi inkijkje in het drukke gezinsleven van toen.

Het verdwijnen van de slaapnis

Hoewel de bedstee behaaglijk warm was, bracht de besloten ruimte duidelijke nadelen met zich mee. De luchtverversing was matig, de houten betimmering bleek donker en de strozak of met kaf gevulde bedzakken waar men op sliep waren lastig schoon te houden. Dit maakte de slaapplek een geliefde schuilplaats voor ongedierte zoals vlooien en bedwantsen.

Met de opkomst van betere ventilatie, ruimere woningen en een veranderend inzicht in hygiëne verdween de bedstee aan het begin van de 20ste eeuw geleidelijk uit de Nederlandse huizen. Het losstaande ledikant nam de plek in de slaapkamer over.

Collectie Groningen, Quest, Agriwiki, NEMO Kennislink, InfoNu Adobe Stock