Van geneeskruid tot vergeten groente
Wilde postelein (Portulaca oleracea) is een oeroude cultuurplant met een rijke geschiedenis. In Iran werd het gewas meer dan 2.000 jaar geleden al gegeten, waarna het via het Middellandse Zeegebied zijn weg door Europa vond. Al voor het jaar 1500 werd de groente in Nederland verbouwd, en inmiddels komt de plant hier ook volop in het wild voor.
De vlezige blaadjes smaken knapperig, fris, licht zuur en een tikkeltje zout. In 16de-eeuwse kruidenboeken werd het gewas steevast omschreven als een heilzame plant. Destijds dacht men zelfs dat het eten ervan losse tanden weer vast kon zetten. Hoewel dat historisch volksgeloof bleek te zijn, stond de plant bij onze grootouders nog regelmatig op het menu, vaak kort gestoofd zoals spinazie of rauw door een stamppot.
Waarom de plant juist nu overal opduikt
Wilde postelein is een eenjarige plant die houdt van warmte. De zaden kiemen pas zodra de bodemtemperatuur oploopt tot minstens 16 graden, met een voorkeur voor temperaturen tussen de 20 en 25 graden. Na een reeks warme zomerdagen verschijnen de karakteristieke rode stengels met dikke, glanzende blaadjes daardoor spontaan in bloembakken, groentebedden en tegelvoegen.
Goed om te weten: deze zomerse wilde postelein is een geheel andere plant dan de bekende winterpostelein (Claytonia perfoliata). Ze behoren botanisch gezien tot een andere plantenfamilie. Een praktisch voordeel in de moestuin is dat de kruipende matten van de zomerversie de open grond bedekken. Hierdoor droogt de aarde minder snel uit door de felle zon. Wie het gewas niet laat overheersen, heeft er een natuurlijke bodembedekker én een verse oogst aan.
Rijk aan voedingsstoffen
Dat de plant weer in de belangstelling staat, heeft alles te maken met de voedingswaarde. Postelein bevat weinig calorieën, maar levert wel vezels, vitamine C, vitamine E, magnesium, ijzer en kalium. Opvallend is het vetzuurprofiel: van alle bladgroenten bevat postelein het hoogste gehalte aan plantaardige omega 3-vetzuren (alfa-linoleenzuur). Daarnaast bevat de plant sporen van de visvetzuren EPA, wat voor een landplant zeer zeldzaam is.
Er is wel een praktische kanttekening. Net als spinazie en rabarber bevat postelein oxaalzuur. Wie gevoelig is voor de vorming van nierstenen, kan het gewas daarom beter met mate consumeren.
Herkennen, oogsten en bereiden
Wilde postelein is gemakkelijk te herkennen aan de dikke, vlezige blaadjes, de roodachtige stengels die over de grond kruipen en de kleine gele bloemetjes die op warme dagen opengaan. Pluk bij voorkeur de jonge toppen en malse blaadjes. De plant groeit daarna gewoon weer verder. Oogst alleen op schone plekken waar niet gespoten is en vermijd de randen van drukke wegen.
In de keuken kun je er alle kanten mee op:
- Rauw: verwerk de verse blaadjes door een salade voor een knapperige, friszure smaak;
- Gestoofd: kook of stoof de stengels hooguit 2 minuten mee, net zoals bij spinazie;
- Warm verwerkt: roer door een klassieke aardappelpuree of voeg het op het laatste moment toe aan soep.
Omdat de blaadjes na het plukken snel slap worden en hooguit een paar dagen goed blijven, ligt het gewas zelden in de winkel. Dat maakt het oogsten uit eigen tuin een ideale manier om deze smaak weer eens te proberen.