Wie nu langs een Drents hunebed wandelt, voelt misschien de eeuwenoude magie nog. De imposante stenen – duizenden kilo's zwaar en tijdens de ijstijd door het landijs vanuit Scandinavië naar Noord-Nederland gebracht – vertellen het verhaal van de Trechterbekercultuur. De hunebedden werden ongeveer 5.000 jaar geleden gebouwd als grafmonumenten.
Toch keek men eeuwenlang met een heel andere blik naar deze megastenen. Voor sommige bewoners waren het maar lastige stienhopen die in de weg lagen. Daarnaast werden de stenen waardevol bouwmateriaal.
Gewild bouwmateriaal
Door de opkomst van steden en de strijd tegen het water werd steen ineens geld waard. Aangezien het noorden geen steengroeven had, werden de Drentse keien een gewilde grondstof. Hunebedden werden gesloopt: met wiggen, hamers en soms zelfs buskruit werden ze in kleinere stukken gebroken en afgevoerd.
De stenen verdwenen onder meer in fundamenten van gebouwen en kerken, maar ook in zeedijken. Rond 1730 veroorzaakte de paalworm grote schade aan houten zeeweringen. Daardoor ontstond een grote vraag naar steen voor de versterking van dijken. Ook voor wegen waren de Drentse zwerfkeien aantrekkelijk.
Een van de vroegste maatregelen
In 1734 werd in Drenthe een verbod ingesteld op het afbreken van hunebedden, een van de vroegste bestuurlijke maatregelen ter bescherming van archeologische monumenten.
Dat betekende echter niet dat de hunebedden vanaf dat moment veilig waren: Drenthe was uitgestrekt en de toezicht was maar beperkt. Het verbod kon de verdere afbraak dan ook niet volledig voorkomen.
De redding van Drenthe
In de negentiende eeuw veranderde echter de waardering voor de hunebedden. Archeologen, bestuurders en andere liefhebbers begonnen de monumenten te zien als belangrijke overblijfselen uit een ver verleden.
Een belangrijke Drentse pleitbezorger was Lucas Oldenhuis Gratama. Hij trok vanaf de jaren 1860 nadrukkelijk aan de bel over de toestand van hunebedden en wees op het gevaar dat de stenen volledig zouden verdwijnen.
Zijn inzet droeg bij aan een bredere beweging om de monumenten daadwerkelijk veilig te stellen. Niet alleen Drentse bestuurders, maar ook het Rijk en wetenschappelijke kringen raakten bij de bescherming betrokken. Het Rijk en de Provincie Drenthe namen uiteindelijk de hunebedden in eigendom over, waardoor particuliere eigenaren ze niet meer zomaar konden afbreken en verkopen.
52 in Drenthe, 2 in Groningen
In totaal zijn er in Nederland nog 54 hunebedden te vinden. Veruit de meeste staan in Drenthe – 52 stuks –, terwijl Groningen er nog 2 telt: één bij Noordlaren en één in de buurt van Delfzijl, waarvan het laatste niet meer in originele staat op zijn oorspronkelijke locatie ligt.
Het precieze aantal historische hunebedden ligt waarschijnlijk nog veel hoger. Door de eeuwenlange afbraak zijn veel monumenten volledig verdwenen. Daardoor is niet exact vast te stellen hoeveel hunebedden er ooit zijn geweest.
Een erfenis om te koesteren
Als je vandaag – op de Dag van het Hunebed nota bene – oog in oog staat met zo’n mystieke steenhoop, bedenk dan dat je niet alleen naar 5.000 jaar geschiedenis kijkt. Je kijkt ook naar het resultaat van een reddingsactie. Een Drents wonder, behouden door de visie van een paar strijdvaardige noorderlingen.