Een rijk verleden onder de zeespiegel
In de middeleeuwen was het Reiderland een bijzonder welvarende streek. Plaatsen zoals Oosterreide, Westerreide, Torum en Fletum vormden bloeiende dorpen met marktpleinen, stenen kerken en zelfs borgen. Oosterreide was met zijn drukke haven en een indrukwekkend sluizencomplex een belangrijk handelscentrum, terwijl in Torum volgens geschiedschrijver Ubbo Emmius rond de 15de eeuw zelfs zilveren munten werden geslagen.
Toch droeg de welvaart in het gebied ook de kiem van de ondergang in zich. De onderlinge verhoudingen tussen de verschillende dorpen waren verre van vriendelijk. Dorpsgemeenschappen stonden elkaar geregeld naar het leven en probeerden de buren op allerlei manieren te benadelen. Het ging volgens de overlevering zover dat de bewoners elkaars sluizen vernielden, waardoor het vruchtbare land kwetsbaar werd voor het oprukkende zeewater.
Toen de boeren vervolgens de rijke edelman Tidde Winnengha om hulp vroegen om de dijken te herstellen, toonde deze zich weinig bereidwillig. Pas als het water een speer hoog over zijn hand zou lopen, wilde hij het herstel overwegen. Het uitblijven van onderhoud maakte de regio tot een tikken de tijdbom.
De genadeklap voor het Reiderland
Door de verwaarloosde waterwerken kregen stormvloeden in de loop der eeuwen steeds meer vrij spel. In het stadsbestuur van Groningen sprak men in de 16de eeuw niet voor niets over de "dolle aard" van de zee, waar de naam Dollard waarschijnlijk uit voortgekomen is. Welke stormvloed exact de aanleiding was blijft historisch een punt van discussie, maar vaststaat dat de regio na opeenvolgende dijkdoorbraken in een gatenkaas veranderde.
De definitieve genadeklap viel in de nacht van 25 september 1509. Tijdens de beruchte Cosmas- en Damianusvloed vaagde een verwoestende vloedgolf de laatste verdedigingswerken weg en overspoelde het land genadeloos. Honderden bewoners en duizenden koeien lieten daarbij het leven. De dijken en de oevers van de rivier de Eems raakten zo zwaar beschadigd dat herstel financieel en praktisch onmogelijk bleek.
Het onderlinge gesteggel tussen de stad Groningen en de boeren over de schuldvraag verhinderde bovendien een snelle aanpak. Pas in de loop van de 16de eeuw werd een begin gemaakt met het geleidelijk herwinnen van het land. Hoewel er uiteindelijk circa 150 vierkante kilometer aan vruchtbare polders werd ingedijkt, bleef ruim 30 middeleeuwse dorpen een definitieve terugkeer ontzegd. Zij verdwenen voorgoed onder een dikke laag zeeklei.
Zoeken naar verdwenen sporen
Tegenwoordig is het landschap het domein van de natuurelementen en valt het Nederlandse en Duitse deel van de Dollard onder beschermd natuurgebied. Sporen van de verdronken dorpen zijn met het blote oog nauwelijks meer te zien, al brachten aanhoudende oostenwinden aan het eind van de 16de eeuw volgens oude verhalen soms nog wel eens fundamenten, munten en straten aan het licht.
Het verhaal over wat er onder de spiegel van de zeearm ligt, blijft onder bewoners en bezoekers tot de verbeelding spreken. Volgens schippers die bij stil weer over het water voeren, kon je op rustige avonden in de diepte soms de kerktorens zien en de kerkklokken horen luiden.
Wie de stilte en de weidsheid van de Punt van Reide zelf wil ervaren, kan het beste een wandeling maken over de dijk bij Breebaart. Vergeet geen kijker mee te nemen: op de kwelders rusten tegenwoordig zeehonden en broeden talloze zeevogels op de plek waar ooit de boerderijen en kerken van het Reiderland stonden.