Eeuwenlang geloofden de bewoners van het noorden dat alleen magische wezens of reuzen – de zogenaamde ‘huynen’ – in staat waren om die gigantische zwerfkeien door het landschap te slepen. De stenen constructies die we tegenwoordig kennen als hunebedden, dienden zon 5.000 jaar geleden als grafkamers voor de eerste boeren in het noorden van Nederland. Maar hoe kregen deze vroege bewoners die loeizware rotsblokken zonder moderne machines op hun plek? Het antwoord schuilt in een verrassend doordacht samenspel van natuurkrachten, hefboomtechnieken en menselijke vindingrijkheid.
Samenwerking met het winterse landschap
Voordat er gebouwd kon worden, moesten de geschikte zwerfkeien verzameld worden in de nabije omgeving. De bouwers zochten in een straal van circa 5 kilometer rondom de beoogde plek naar bruikbare stenen. Om deze loodzware giganten te verplaatsen, maakten ze gebruik van een uitgekiend systeem van houten rollers, sledes en sterke touwen. De winter bleek daarbij de beste bondgenoot: over de bevroren Drentse grond gleed het zware transport een stuk eenvoudiger dan door de zompige zomergrond.
De omgekeerde bouwvolgorde
Wie naar een hunebed kijkt, vermoedt dat eerst de muren werden gemetseld waarna het dak erop ging. De werkelijkheid was precies andersom. De indrukwekkende dekstenen werden als eerste op hun plek gelegd, simpelweg door ze over opgestapelde boomstammen of een opgeworpen heuvel van aarde te rollen. Pas als de daksteen op de juiste hoogte lag, werden de draagstenen eronder gegraven en geplaatst. Zo ontstond de kenmerkende constructie van twee rechtopstaande stenen met een liggende steen erbovenop, ook wel een trilithon genoemd.
Droge voeten voor de eeuwigheid
Een grafkamer moest niet alleen stevig zijn, maar ook bescherming bieden tegen het grillige Nederlandse weer. Nadat de grote structuur stond, vulden de bouwers de kieren op met kleinere stopstenen. Vervolgens dekten ze het geheel af met een dikke laag aarde. Om het dak volledig waterdicht te maken, legden ze een slimme isolatielaag aan van berkenbast gecombineerd met verbrand vuursteen, dat vocht opnam.
De vloer van de kamer werd netjes bestraat met een laag keien, en de ingang aan de zuidzijde kreeg een houten deur of een zwaar lederen gordijn. Zo creëerden deze vroege Drentse meesterbouwers een monument dat de tand des tijds zou doorstaan.