Van versterkte woontoren naar adellijke pronkzaal
Om te begrijpen waar de Groningse borgen vandaan komen, moeten we terug naar de middeleeuwen. In een tijd zonder centraal gezag droegen lokale hoofdelingen zelf zorg voor de verdediging van hun erf. Ze bouwden een 'steenhuis': een dikwandige, vierkante bakstenen toren waar de familie zich in tijden van strijd en plunderingen kon terugtrekken. Omdat baksteen in die tijd een kostbaar luxeproduct was, diende zo'n stenen toren direct als statussymbool.
Toen de tijden rustiger werden en de wapentechniek veranderde, verloren de torens hun militaire functie. Borgheren lieten de verdedigingswerken uitbouwen, voegden grote woonvleugels toe en lieten er indrukwekkende tuinen omheen aanleggen. De stijve verdedigingstoren veranderde zo in een luxe buitenverblijf waar de adel haar rijkdom en politieke macht etaleerde. Op het hoogtepunt, rond de 17de en 18de eeuw, telde de provincie Groningen meer dan 200 van deze borgen.
De klap van de veranderende tijden
Dat er van die ruim 200 borgen tegenwoordig nog maar 16 over zijn, heeft alles te maken met geld en veranderende maatschappelijke verhoudingen. De bloeitijd van de borgen leunde op de privileges van de adel, die belasting mocht heffen en de rechtspraak in handen had. Met de komst van de Franse tijd aan het einde van de 18de eeuw verdwenen al deze adellijke voorrechten.
Het onderhoud van een immens landhuis met grachten, koetshuizen en baroktuinen was zonder die inkomsten simpelweg onbetaalbaar. Voor veel families bleef er maar één optie over: de borg verkopen voor de sloop. De kostbare bouwmaterialen, zoals bakstenen, marmeren vloeren en eikenhouten balken, werden los verkocht en het terrein werd klaargemaakt voor de landbouw. Zo verdwenen in de 19de eeuw tientallen eeuwenoude borgen van de kaart.
Slingerpaden en symmetrie rond het huis
Bij de borgen die de sloopwoede wel overleefden, is de historie niet alleen in de gebouwen bewaard gebleven, maar ook in het groen. In de 17de en 18de eeuw lieten borgheren hun gronden inrichten volgens de strakke Franse tuinstijl, geïnspireerd op het hof van Lodewijk XIV. Alles draaide om strakke, symmetrische lijnen met het hoofdgebouw als het absolute middelpunt.
In de 19de eeuw sloeg de mode om. Onder invloed van de romantiek kwam de Engelse landschapsstijl op. Strakke hagen maakten plaats voor de golvende vormen van de natuur, slingerende paadjes en doordachte doorkijkjes. Beroemde tuinarchitecten zoals Lucas Pieters Roodbaard lieten hier hun sporen achter.
Op pad langs de overgebleven monumenten
Wie de sfeer van de oude borgen zelf wil ervaren, kan op verrassend veel plekken terecht. Een aantal borgen is ingericht als museumhuis waar je zo de 18de of 19de eeuw binnenstapt. Bij de Menkemaborg in Uithuizen dwaal je door ingerichte kamers en een authentieke Franse tuin met een doolhof. In Slochteren staat de indrukwekkende Fraeylemaborg midden in een uitgestrekt Engels park, en bij Borg Verhildersum in Leens beleef je het complete verhaal van de adel, de boeren en de landarbeiders op het Hogeland.
Ook andere borgen zijn deels te bezoeken. In het Iwema Steenhuis in Niebert – het enige bewaarde steenhuis van de provincie – vind je in de schuur een ambachtelijk streekmuseum. Op het landgoed van Borg Nienoord in Leek staat het Nationaal Rijtuigmuseum en kun je in de borg zelf terecht voor een kop koffie. Zo zijn er verspreid over Groningen nog diverse borgen en borgterreinen die hun deuren openstellen. En wie de grens met Drenthe oversteekt, vindt in Roden museumhuis Havezate Mensinge: de Drentse variant op de Groninger borg, waar de tijd al even prachtig stil lijkt te hebben gestaan.