Cultuur

Aardappels, maaltijdsoep en een sudderend petroleumstel: hoe er vroeger werd gekookt

Wie tegenwoordig wil koken, draait een knop om of zet de inductieplaat aan. Zo vanzelfsprekend was dat vroeger niet. In de jaren 50 stonden in veel Nederlandse keukens nog kolenfornuizen en petroleumstellen, terwijl ook het gasfornuis steeds vaker zijn intrede deed.

Romy van der Lingen
2 minuten
Terug naar vroeger
Nostalgie
Historie
Hoe werd er vroeger gekookt
Koken in 1954. Foto: Henk Blansjaar/Spaarnestad Photo via Nationaal Archief

Het kolenfornuis als hart van de keuken

In veel Nederlandse huishoudens was een robuust geëmailleerd kolenfornuis jarenlang het middelpunt van de keuken. Het werd gestookt op kolen of briketten en diende niet alleen om op te koken en te bakken, maar verwarmde in de winter vaak ook de hele ruimte.

Bovenop bevonden zich de bekende uitneembare kookringen. Door een of meer ringen weg te nemen, kon een pan dichter boven het vuur worden geplaatst, waardoor sneller gekookt kon worden. Veel fornuizen hadden daarnaast een handdoekrek of droogstang aan de zijkant en een ingebouwde oven waarin brood, gebak of een braadstuk konden worden bereid.

Een kolenfornuis vroeg wel de nodige aandacht. Het vuur moest worden opgestookt, de temperatuur liet zich minder precies regelen dan bij gas en de as moest regelmatig worden verwijderd.

Het petroleumstel voor langzaam garen

Naast het kolenfornuis stond in veel keukens een petroleumstel. Dat werd gebruikt als extra kooktoestel, bijvoorbeeld wanneer het grote fornuis niet hoefde te branden, maar ook voor gerechten die langdurig moesten sudderen. Vooral in de zomer was dat vaak een praktische oplossing, omdat de keuken dan niet onnodig werd verwarmd.

Een petroleumstel bestond uit een reservoir met petroleum en een of meer pitten van katoen. Via een draaimechanisme kon de pit hoger of lager worden gezet. Stond de vlam te hoog, dan ging deze walmen en ontstond er roet op de pan; stond hij te laag, dan kon het vuur doven. De warmte was gelijkmatig genoeg om stoofgerechten rustig te laten garen, al vergde het afstellen van de pit enige ervaring.

Stoofvlees, hachee, draadjesvlees en stoofperen stonden vaak urenlang zacht te pruttelen. De kenmerkende geur van petroleum en een sudderende pan roept bij veel mensen nog altijd herinneringen op aan vroeger.

Koken op een petroleumstel, 1950. Foto: J.D. Noske/Anefo via Nationaal Archief

Koken op gas werd steeds gewoner

Hoewel gasfornuizen al veel eerder in veel Nederlandse steden werden gebruikt, kregen ze in de jaren 50 een steeds grotere verspreiding. Vooral in plaatsen waar nog geen gasleiding lag, werd de overstap geleidelijk gemaakt.

Een gaskomfoor of gasfornuis bood veel gemak. Met een lucifer was de brander snel aangestoken en de warmte liet zich eenvoudig regelen. Water koken of een eitje bakken ging daardoor sneller en gemakkelijker dan op een kolenfornuis.

Na de ontdekking van het gasveld in Slochteren in 1959 schakelden steeds meer huishoudens in de jaren 60 over van stadsgas op aardgas. Daardoor verdwenen kolenfornuizen en petroleumstellen geleidelijk uit de Nederlandse keukens. Vrijstaande gasfornuizen, en later de eerste inbouwkeukens en inbouwkookplaten, deden steeds vaker hun intrede.

De smaak van vroeger

Wil je die authentieke smaak van vroeger terughalen? Laat een hachee of stoofpot eens een hele middag op het allerkleinste pitje sudderen, het liefst met een sudderplaatje ertussen. Het kost wat tijd, maar het vlees wordt er precies zo zacht en lekker van als vroeger – toen het nog urenlang op het petroleumstel had staan sudderen.

Geheugen van Nederland, Geheugen van Tilburg, Wikipedia, IsGeschiedenis, ATAG Adobe Stock