Deze mysterieuze ronde plassen zijn in werkelijkheid pingoruïnes: de restanten van gigantische ijsheuvels die aan het einde van de laatste ijstijd de bodem omhoogdrukten. Omdat de diepe kraters na het smelten van het ijs eeuwenlang onaangetast zijn gebleven, herbergen ze vandaag de dag een goed bewaard bodemarchief dat ons exact vertelt hoe ons klimaat en de natuur zich door de millennia heen hebben ontwikkeld.
Hoe de ijsheuvels het landschap opduwden
Om te begrijpen wat een pingoruïne precies is, moeten we zo'n 13.000 tot 15.000 jaar terug in de tijd. Nederland was destijds een barre, boomloze toendra waar de grond tot tientallen meters diep permanent bevroren was. Onder deze harde permafrostlaag bevond zich echter vloeibaar grondwater dat onder enorme druk stond.
Op plekken waar zich scheuren in de bevroren bodem bevonden, zocht het water een weg omhoog. Zodra dit opwellende water in de ijskoude bovenlaag terechtkwam, bevroor het direct. Er ontstond een ondergrondse ijslens die door constante toevoer van nieuw water bleef groeien. De bovenliggende grond werd hierdoor metershoog opgetild, waardoor er een opvallende heuvel in het vlakke landschap ontstond: een pingo (Inuit-taal voor "groeiende heuvel"). Deze ijzige heuvels konden een hoogte van wel 40 tot 50 meter bereiken.
Van smeltend ijs tot diepe krater
Het succes van de pingo werd uiteindelijk zijn eigen ondergang. Door de aanhoudende groei van de ondergrondse ijslens scheurde de bovenliggende grondlaag aan de top open. Het blootgelegde ijs begon door de zon te smelten, waardoor een modderige brij van grond en smeltwater langzaam langs de hellingen naar beneden gleed. Aan de voet van de heuvel hoopte deze modder zich op tot een cirkelvormige aarden wal.
Toen de ijstijd definitief ten einde liep en al het ondergrondse ijs smolt, zakte de heuvel volledig in elkaar. Wat overbleef was een diepe, komvormige krater omringd door een ringwal, die volliep met smeltwater. De pingoruïne was geboren. Waar normale vennen, ontstaan door de wind, zelden dieper zijn dan 2 meter, kunnen deze ijskraters een diepte van 8 tot wel 20 meter bereiken. Bekende voorbeelden in Drenthe zijn het Esmeer en het Mekelermeer, die nog altijd metersdiep zijn.
Waar je ze vindt en waarom ze zo waardevol zijn
In Nederland liggen de pingoruïnes voornamelijk in het noorden en oosten van het land, in provincies als Groningen, Friesland en Drenthe. Hier was de bodem destijds koud genoeg om deze processen mogelijk te maken. Veel van deze meertjes groeiden in de warmere periodes die volgden langzaam dicht met veen. Omdat de mens dit veen er in latere eeuwen weer uitgroef om als brandstof te gebruiken, werden de karakteristieke ronde vormen opnieuw zichtbaar in het landschap.
Voor wetenschappers en natuurliefhebbers zijn deze plekken ware schatkamers. In de dikke, ongestoorde lagen veen en modder liggen namelijk stuifmeelkorrels, zaden en plantenresten van duizenden jaren oud opgeslagen. Dit natuurlijke archief maakt het mogelijk om de klimaatgeschiedenis en de vegetatie van de afgelopen 13.000 jaar nauwkeurig te reconstrueren. Tegenwoordig worden veel pingoruïnes daarom streng beschermd, zodat deze kostbare geschiedenisbronnen niet verloren gaan door graafwerkzaamheden of verdroging.