Cultuur

Koffie bij de buren en snaarstrakke scheerlijnen: een terugblik op het kamperen van toen

Tegenwoordig gooien we de auto vol met een pop-up tent, luxe luchtbedden en een koelbox op stroom om de vrijheid tegemoet te reizen. Vorige eeuw ging dat er echter heel anders aan toe: kamperen was een serieuze zaak waarvoor je zelfs een officieel examen kon afleggen. We blikken terug op de begindagen van de kampeersport, toen etiquette het kampeerterrein regeerde.

Romy van der Lingen
2 minuten
Terug naar vroeger
Kamperen
Drie kampeerders luisteren naar het weerbericht, 1963. Foto: Eric Koch/Anefo via Nationaal Archief

Een elitaire hobby

Wie denkt dat kamperen altijd al een volkssport is geweest, zit ernaast. In de 19de eeuw was het opzetten van een tent in de natuur een exclusieve bezigheid voor rijke burgers. De trend ontstond in Engeland, direct na de uitvinding van de moderne fiets. Avontuurlijke reizigers trokken eropuit met de tweewieler en sliepen aanvankelijk in tenten die hoteleigenaren in hun tuinen opzetten. Pas toen er lichtere tentdoeken op de markt kwamen, konden de kampeerders hun eigen uitrusting meenemen.

In 1912 werd in Nederland de Toeristen Kampeer Club opgericht. Alleen welgestelde jongeheren konden zich destijds zo'n kostbare uitrusting, inclusief een geïmporteerde tent en een oliestel, veroorloven. De gewone arbeider had er simpelweg het geld én de vrije dagen niet voor.

Vergunningen en argwaan

Bovendien werd de vroege kampeerder in ons land met de nodige argwaan bekeken. In diverse gemeenten werd het spontaan opzetten van een tent in de beginjaren zelfs bestempeld als landloperij. Wildkamperen was er dan ook niet bij. Wie in de buitenlucht wilde overnachten, moest vooraf niet alleen de boer om toestemming vragen, maar ook een officiële gemeentelijke vergunning aanvragen. Hiervoor diende je een bewijs van goed gedrag te overleggen en een paar gulden te betalen.

Zeker wanneer er zowel dames als heren meereisden, hielden de lokale autoriteiten de boel scherp in de gaten. Ongetrouwde stellen sliepen uiteraard strikt gescheiden, want de goede zeden moesten gewaarborgd blijven.

Groep kamperende meisjes, 1950
Groep kamperende meisjes, 1950. Foto: Jac. de Nijs/Anefo via Nationaal Archief

Op examen in Ommen

Na de Tweede Wereldoorlog veranderde het kampeerlandschap in rap tempo. Dankzij de opkomende welvaart, meer vrije dagen en een overschot aan goedkope legertentjes, trokken gezinnen er massaal op uit. Om te zorgen dat al die nieuwe vakantiegangers zich netjes gedroegen, introduceerde de ANWB strenge richtlijnen. Er werd een heus kampeerpaspoort in het leven geroepen.

Om dit felbegeerde document te bemachtigen, moest je op kampeercursus. Vanaf 1948 gebeurde dat op een speciaal oefenterrein in het Overijsselse Ommen. Hier leerden vakantiegangers onder het toeziend oog van strenge mentoren de fijne kneepjes van het vak, van etiquetteregels tot praktische zaken. Zo moesten de scheerlijnen van je tent ten alle tijden snaarstrak gespannen staan en het was de bedoeling dat je je buren hielp met het opzetten van de tent.

De anti-autoritaire omslag

In de jaren 50 en 60 werden tenten steeds comfortabeler en deden de bungalowtenten hun intrede via grote warenhuizen. De traditionele buitensportzaken keken aanvankelijk met lichte minachting naar deze vorm van luxe. Tegen het einde van de jaren 60 begon bovendien de tijdgeest te veranderen. De beklemmende betutteling en de strenge etiquette van de ANWB-mentoren pasten niet langer bij de vrije moraal van die tijd. Kampeerders wilden zélf bepalen hoe ze hun vakantie vierden, ook als de scheerlijnen daardoor een keertje slap hingen. In 1974 werden het kampeerpaspoort en de verplichte kampeerkaart definitief afgeschaft, waarmee er een einde kwam aan een bijzonder tijdperk.

Laura van Hasselt, Andere Tijden Adobe Stock