Cultuur

Bloed, zweet en turf: het indrukwekkende verhaal van de Veenkoloniën

Achter de kaarsrechte kanalen en eindeloze horizons van de Veenkoloniën in Zuidoost-Groningen schuilt een bijzonder verhaal dat begon in een onbegaanbaar moeras. Reis mee terug in de tijd naar een streek vol rauwe pioniersgeest, rokende fabrieksschoorstenen, scheve sociale verhoudingen en kapiteins die de wereldzeeën veroverden.

Romy van der Lingen
5 minuten
Historie
Veenkoloniën
Turfschip in Wildervank, 1910-1915. Foto: H.K. van Halteren, collectie Groninger Archieven

Wie vandaag de dag door het zuidoosten van Groningen trekt, wordt direct gegrepen door de eindeloze leegte en de strakke, geometrische lijnen. Kanalen snijden als linialen door het landschap, geflankeerd door kilometerslange wegen en linten van huizen. Dit is de streek van de Veenkoloniën, een gebied dat op het eerste gezicht rust en regelmaat uitstraalt. Toch schuilt achter deze horizon een geschiedenis van ongekende dynamiek, rauwe pioniersgeest en een maritiem succes dat de streek ver buiten Noord-Nederland bekend maakte. Hoe veranderde een ontoegankelijk moeras in een economische motor op het land én op het water?

Kanaal in Stadskanaal
Kanaal in Stadskanaal. Foto: Adobe Stock

Een spons van drieduizend vierkante kilometer

Het verhaal van deze bijzondere streek begint diep in de geschiedenis, lang voordat de eerste kaarsrechte wijken werden gegraven. Oorspronkelijk maakte dit hele gebied deel uit van het Bourtangermoeras, een gigantisch hoogveenmoeras dat zich vanaf 5000 jaar voor Christus vormde in het grensgebied van Groningen, Drenthe en Duitsland. Met een oppervlakte van zo'n drieduizend vierkante kilometer was het een nijdige, sponsachtige wildernis van afgestorven plantenresten, doorsneden door kronkelende beekjes en verraderlijke vennen. Wonen was hier nagenoeg onmogelijk.

In de middeleeuwen zagen monniken van kloosters uit onder andere Aduard en het Duitse Essen de waarde van deze natte wildernis. Ze ontdekten dat de uit het veen gestoken en gedroogde turf een uitstekende brandstof vormde voor hun steenbakkerijen. De grootschalige, commerciële exploitatie kwam echter pas rond het jaar 1600 echt op gang. Eerst voorzichtig via de Friesche Compagnie bij de Pekela’s, maar al snel speelde de stad Groningen hier een grote rol in. Groningen kocht grote stukken veengrond op en speelde een leidende rol bij de ontginning, terwijl ook particuliere compagnieën en investeerders een steeds belangrijkere rol gingen spelen. Kanalen zoals het Winschoterdiep en later het Stadskanaal werden gegraven om het veen systematisch 'aan snee' te brengen en de turf af te voeren.

Turfsteken, circa 1910-1920
Turfsteken, circa 1910-1920. Foto: collectie Drents Archief

De hiërarchie van de schep

Het winnen van de turf en het graven van de honderden kilometers aan waterwegen was een titanenklus die volledig met de hand werd geklaard. Dit loodzware werk trok avonturiers, seizoensarbeiders en gelukzoekers aan uit heel Nederland en Noord-Duitsland. De meesten kwamen voor het zware seizoenswerk in het veen: het lossteken van de natte turfblokken, het opstapelen om te drogen en het sjouwen naar de schepen. Ook het uitgraven van de diepen bracht werk.

Hoewel de belofte van werk een stroom pioniers aantrok, waren de leefomstandigheden in de koloniën erbarmelijk. Veel gezinnen van turfstekers en kanaalgravers vonden aanvankelijk onderdak in provisorische plaggenhutten: primitieve bouwwerken van zoden en hout die nauwelijks bescherming boden tegen de weersomstandigheden. De sociale verschillen in het veen waren dan ook reusachtig. Bovenaan de ladder stonden de machtige veenbazen, die de verveningen beheerden en de lakens uitdeelden. Daaronder kwamen de herenboeren, die de vruchtbare dalgrond in gebruik namen zodra de turf eenmaal verdwenen was, gevolgd door de turfschippers. Helemaal onderaan bungelden de duizenden veenarbeiders, landarbeiders en scheepsknechten, die dag in dag uit streden voor hun dagelijks brood.

Hinderkien van der Sluis-Nijhof met haar kinderen Egbertien, Evert en Abel voor hun plaggenhut in Westerwolde, 1913
Hinderkien van der Sluis-Nijhof met haar kinderen Egbertien, Evert en Abel voor hun plaggenhut in Westerwolde, 1913. Foto: T. Post, collectie Groninger Archieven

Van turfgat naar wereldzee

Wat de Veenkoloniën echt uniek maakt, is de wonderlijke transformatie die plaatsvond zodra de kanalen eenmaal gevuld waren met water. Hoewel de open zee kilometers ver weg lag, ontwikkelde de streek zich in de 18de en 19de eeuw tot een van de belangrijkste zeevaartstreken van Nederland. Aanvankelijk vervoerden lokale schippers turf over de binnenwateren, maar al snel breidden zij hun vaargebied uit naar de kustvaart op Duitsland, Groot-Brittannië en Frankrijk.

In de loop van de 19de eeuw gingen steeds meer Veenkoloniale kapiteins de zee op. Ze voeren op Scandinavië, Rusland en de Middellandse Zee. De bloeiende scheepvaart bracht een omvangrijke scheepsbouwsector met zich mee, die zich vooral rond Hoogezand en Martenshoek concentreerde. De Veenkoloniën leverden een opmerkelijk groot aantal schippers en kapiteins en groeiden uit tot een van de belangrijkste zeevaartstreken van Nederland. Volgens een veel aangehaalde historische vergelijking zouden er in de streek zelfs meer kapiteins geregistreerd hebben gestaan dan in Amsterdam en Rotterdam samen – een uitspraak die vooral illustreert hoe uitzonderlijk groot de maritieme betekenis van de Veenkoloniën destijds was. De welvaart die dit opleverde, is vandaag de dag nog zichtbaar in de statige kapiteinswoningen.

Museum Kapiteinshuis in Nieuwe Pekela
Museum Kapiteinshuis in Nieuwe Pekela. Foto: Sebastiaan Rodenhuis Fotografie via Marketing Groningen

De rokende schoorstenen van de 19de eeuw

Toen het veen in de loop van de 19de eeuw langzaam maar zeker begon op te raken, toonden de inwoners wederom hun onvermoeibare pioniersgeest. De focus verschoof van de turf naar de vruchtbare dalgrond die na de vervening ontstond. Deze zogenaamde dalgrond bleek uitermate geschikt voor de teelt van industriële gewassen zoals aardappelen en graan.

Dankzij de unieke combinatie van volop aanwezig water, goedkope brandstof en een fijnmazig netwerk van vaarwegen, schoot de landbouwindustrie tussen 1860 en 1900 als paddenstoelen uit de grond. Onder leiding van industriemagnaten zoals W.A. Scholten werden er tientallen aardappelmeelfabrieken opgericht. Tegelijkertijd werd Oude Pekela het kloppende hart van de strokartonindustrie, waar de restproducten van de graanoogst grootschalig werden verwerkt. De Veenkoloniën veranderden in een rokend en bloeiend industrielandschap dat tot ver in de 20ste eeuw een enorme werkgelegenheid bood.

Strokartonfabriek De Toekomst in Scheemda
Strokartonfabriek De Toekomst in Scheemda. Foto: Adobe Stock

De heruitvinding van een uniek landschap

Geen enkele bloeiperiode duurt echter eeuwig. In de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw kreeg de regio te maken met zware industriële herstructureringen. Karton werd voortaan van oud papier gemaakt en plastic verving strokarton als verpakkingsmateriaal. Fabrieken fuseerden, coöperaties zoals AVEBE slokten kleinere spelers op en grote werkgevers zoals de Philipsvestiging in Stadskanaal moesten fors inkrimpen. Veel banen gingen verloren, waardoor de streek voor nieuwe uitdagingen kwam te staan.

Bovendien veranderde het dorpsgezicht ingrijpend. Om de dorpskernen beter bereikbaar te maken voor modern wegverkeer, werden vanaf de jaren 60 talloze karakteristieke kanalen en wijken gedempt. Waar ooit schepen voeren, kwamen nu asfaltwegen en kruispunten te liggen. Gelukkig kwam er op tijd een omslag in het denken. Tijdens de grootschalige Herinrichting van Oost-Groningen vanaf de jaren 70 werd de cultuurhistorische waarde van het open water herontdekt. Kanalen zoals het Pekelder Hoofddiep werden deels hersteld en bevaarbaar gemaakt voor de pleziervaart, terwijl nieuwe natuurgebieden zoals de Veenhuizerstukken en het Horstenerbos het voorheen kale landschap een groen en vriendelijk karakter gaven.

Wie vandaag de dag door de Groningse Veenkoloniën reist, ervaart een opmerkelijke rust. De dynamiek van de turfstekers, de ronkende fabrieken en de honderden zeilschepen heeft plaatsgemaakt voor een gemoedelijke sfeer en een weidse, indrukwekkende ruimte. Maar wie goed kijkt, ziet de geschiedenis nog overal ademen in de rechte lijnen van het landschap – een blijvend monument voor de onbuigzame pioniers van het noorden.

Gerben de Vries/Landschappen van Noord-Nederland, Annemarie Bergfeld, Wikipedia Adobe Stock