In Nederland kennen we drie inheemse slangensoorten. De adder, de enige gifslang van ons land, leeft voornamelijk op heide- en veengebieden. Daarnaast is de ongevaarlijke ringslang een bekende verschijning in waterrijke gebieden op de zandgronden en de overgangen naar veen- en kleigronden. De zeer zeldzame gladde slang vind je nog maar beperkt in specifieke natuurgebieden, waardoor je die op een particulier erf vrijwel nooit zult tegenkomen.
De aantrekkingskracht van het erf
Slangen zijn koudbloedig en komen niet zonder reden naar je erf; ze zoeken er simpelweg naar voedsel, warmte en beschutting. Zo trekt een gezonde boomgaard met afgevallen fruit muizen aan, wat een gedekte tafel betekent voor de adder. Om hun lichaamstemperatuur te reguleren, zoeken deze reptielen open plekken op om te zonnen. Ook een vijver vol kikkers en padden vormt een onweerstaanbare voedselbron, zeker voor de ringslang, die een echte amfibiëneter is.
Van deze twee soorten is de kans dat je een ringslang op het erf tegenkomt het grootst. De schuwe adder verlaat zijn natuurgebied zelden en laat zich dus niet zo snel in tuinen zien, al bestaat de kans in specifieke grensgebieden wel.
Composthopen als kraamkamer
De aanwezigheid van een warme composthoop, takkenbos of een bult houtsnippers op een erf is aantrekkelijk voor slangen. Dit zijn voor de ringslang de ideale plekken om eieren in te leggen, aangezien de broeiwarmte zorgt voor de uitkomst van de jongen. Een adder gebruikt deze beschutte, warme plekken juist graag om te schuilen tijdens de koelere uren. Vooral dicht bij een sloot of vijver zijn deze schuilplekken aantrekkelijk voor slangen.
Veilige schuilplaatsen
Bij onraad moeten slangen direct kunnen wegschieten onder een stapel haardhout, een dichte struik of in het hoge gras rondom boomstammen. Hoge kruiden en dichte begroeiing aan de voet van bomen vormen onzichtbare looproutes en vochtige schuilplaatsen voor de grotere reptielen. Wie de slangen liever op afstand houdt, kan de begroeiing rondom de boomstammen met een kantenmaaier of een scherpe snoeischaar gemakkelijk kort houden. Mik hierbij op een open en overzichtelijke zone van ongeveer een meter rondom de boom. Wil je de dieren juist een veilig heenkomen bieden, dan laat je deze stroken gras wat langer groeien.
Een broeiplek dichtbij
Wie liever geen eierleggende slangen dicht bij het huis heeft, kiest het beste voor een gesloten composteerbak die op ruime afstand van het terras staat. Door het materiaal hierin direct af te dekken met een droge laag houtsnippers, blijft de temperatuur aan de buitenkant minder aantrekkelijk voor eierleggende ringslangen. Daarnaast kun je gevallen fruit in de boomgaard tijdig opruimen. Natuurliefhebbers kunnen juist bewust een open broeihoop achter in de tuin aanleggen om de slang een veilige kraamkamer te bieden, en rottend fruit laten liggen.
Handelen bij een ontmoeting
Mocht je deze zomer plotseling oog in oog staan met een slang, dan is kalmte bewaren de belangrijkste regel. Nederlandse slangen zijn erg schuw en zullen bij confrontatie vrijwel altijd direct proberen te vluchten. Aangezien alle inheemse slangen wettelijk streng beschermd zijn, mag je ze absoluut niet vangen, verplaatsen of doden. Houd simpelweg afstand en geef het dier de ruimte om rustig zijn weg te vervolgen.
Eerste hulp bij een beet
Een ringslang en een gladde slang zijn volledig ongevaarlijk, maar bij een adder ligt dat door de giftigheid anders. Een adder bijt uitsluitend als hij echt in het nauw wordt gedreven of wanneer je er per ongeluk bovenop gaat staan tijdens het tuinieren. Mocht je onverhoopt toch gebeten worden, blijf dan rustig om de verspreiding van het gif te vertragen. Doe knellende sieraden zoals ringen of armbanden direct af vanwege eventuele zwelling, houd het gebeten ledemaat zo stil mogelijk en neem direct contact op met hulpdiensten voor een medische behandeling.