1. Douwe Egberts
Het begon allemaal op 11 van de maand maart in het jaar 1753. Egbert Douwes en zijn vrouw Akke Thysses lieten hun geboortedorp Idskenhuizen achter zich en verhuisden naar het levendige Joure. Hier openden zij een bescheiden winkel in 'koloniale waren'. Onder de naam De Witte Os verkochten ze producten die destijds werden gezien als 'de genoegens van het dagelijks leven': geurige koffie, thee, chocolade en gedroogde zuidvruchten.
Toen zoon Egbert Douwes junior de zaak in 1780 overnam, kreeg het bedrijf de naam die we nu nog uit duizenden herkennen: Douwe Egberts. Hij keek verder dan de dorpsgrenzen van Joure en legde het fundament voor een wereldwijd koffie-imperium. Dat de familie van aanpakken wist, bleek wel toen Egbert in 1806 overleed; zijn tweede vrouw Lysbeth Mintjes zette de bloeiende onderneming destijds gewoon eigenhandig voort.
Wie die nostalgische sfeer van vroeger zelf wil opsnuiven, kan tegenwoordig zijn hart ophalen in Museum Joure. Je kunt er ronddwalen in het geboortehuis van de oprichter, dwalen door de oude pakhuizen en zelf aan de slag. Met een ouderwetse Zassenhaus wandmolen maal je er je eigen koffiebonen, of je stelt je eigen theezakje samen. Het hoogtepunt? Een interactieve koffieproeverij waarbij je ontdekt of je de verschillende bonen blindelings kunt herkennen. En ja, museumwinkel De Witte Os is na al die eeuwen nog altijd geopend voor bezoekers.
2. De bekende pepermuntjes
Niet alleen de koffie, maar ook de zoetigheden bij de thee vonden hun oorsprong in het Friese landschap. Neem nu de iconische Wilhelminapepermunt. In 1842 begon Willem Hendrik Fortuin een bescheiden banketbakkerij in Lemmer, die al snel verhuisde naar Dokkum. Toen de firma in 1892 haar vijftigjarige jubileum vierde, bedacht men een heel bijzonder cadeau voor de toen twaalfjarige prinses Wilhelmina: een pepermuntje met haar eigen beeltenis erop. Het eerste kistje werd aangeboden aan het Koninklijk Huis en viel zo goed in de smaak dat Fortuin in 1896 prompt werd benoemd tot hofleverancier. De historische blikken met koninklijke afbeeldingen zijn inmiddels geliefde verzamelobjecten geworden.
Verderop, in Sneek, werd in 1902 de suikerwerkfabriek Tonnema opgericht. Waar pepermunt destijds vooral los per gram over de toonbank ging als een soort medicinaal middeltje tegen een kriebelhoest, gooide Tonnema het in de jaren 20 over een heel andere boeg. Ze introduceerden een strak kwaliteitsmerk: KING, wat staat voor Kwaliteit In Niets Geëvenaard. Vanaf 1927 werden de pepermuntjes handmatig in de iconische rollen gewikkeld. Het vertrouwde gezicht op de wikkel is trouwens dat van dr. Paul François van Hamel Roos, de Amsterdamse apotheker die destijds symbool stond voor de medicinale status van pepermunt.
3. Batavus
Wie Friesland zegt, zegt natuurlijk ook fietsen. De wieg van de beroemde Batavus-fiets stond in Heerenveen. Daar opende Andries Gaastra in september 1904 een kleine winkel in uurwerken en naaimachines. Omdat hij een scherp oog had voor de tijdgeest, voegde hij al snel Duitse Presto-fietsen aan zijn assortiment toe, die destijds nog met paard en wagen in Heerenveen werden afgeleverd. Niet veel later rolden de eerste fietsen onder de eigen naam Batavus uit de werkplaats.
Batavus bleek een meester in innovatie en sportiviteit. In de jaren 50, toen de vraag naar tweewielers explodeerde, openden ze de modernste fietsenfabriek ter wereld. Dat hun frames wel tegen een stootje konden, bleek in 1966 toen wielrenner Gerben Karstens namens de Televizier-Batavus ploeg maar liefst twee etappes won in de Tour de France. De lakkwaliteit van de fietsen was destijds zó legendarisch, dat lokale ziekenhuizen aan Batavus vroegen om hun beschadigde ziekenhuisbedden opnieuw te lakken. Dit leidde er zelfs toe dat de fabriek jarenlang medisch materiaal heeft geproduceerd.
4. Koopmans
Geen Friese koffietafel is compleet zonder een zelfgebakken lekkernij. De basis daarvoor werd in 1846 gelegd door een jonge bakkersgezel genaamd Uilke Klazes Koopmans. Hij nam een gewaagd besluit: hij leende 1550 gulden van zijn familie en kocht een rosmolen in het kustdorp Holwerd. Hier maalde hij, voortbewogen door de gestage paardenkracht, boekweit voor brood en pap.
Toen de stoommachine zijn intrede deed, verhuisde het bedrijf naar Leeuwarden onder de naam Stoommeelfabriek Friso. De generaties daarna zorgden voor een frisse wind en brachten de meelproducten rechtstreeks naar de consument. Mede dankzij de handige receptenboekjes en kant-en-klare bakproducten van Koopmans werd thuis bakken voor miljoenen Nederlanders een fluitje van een cent. Hoewel de consumententak inmiddels is overgedragen aan Dr. Oetker, is het bedrijf onder de naam Royal Koopmans na 180 jaar nog altijd een wereldspeler op het gebied van graan.
5. Achmea
Zelfs onze manier van verzekeren vindt zijn oorsprong in de Friese klei. In het jaar 1811 besloot Ulbe Piers Draisma in het dorpje Achlum dat het genoeg was met de onzekerheid na een boerderijbrand. Samen met 39 lokale boeren en notabelen richtte hij een onderlinge waarborgmaatschappij op. De gedachte was simpel: grote risico's draag je met elkaar.
Deze coöperatieve gedachte vormde het fundament voor wat we nu kennen als Achmea, de grootste verzekeraar van ons land. Hoewel het bedrijf tegenwoordig miljoenen klanten bedient, zijn ze hun herkomst nooit vergeten. In 2011 keerde de verzekeringsreus nog terug naar het kleine Achlum voor een grote bijeenkomst, waarbij zelfs oud-president Bill Clinton als gast aanwezig was op het lokale kaatsveld.