Alle ouders hebben in hun jeugd wel speelkameraadjes gehad. Daar hoor je doorgaans nooit meer wat over, dat herkent Abelike Janssens wel. Maar over Bernard van Dam begon haar vader altijd weer. Wat er met dat gezin gebeurd was, plaatste zijn jeugdherinneringen in een heel ander licht.
Wanneer Abelike als kind bij haar vader op de studeerkamer kwam, waar hij ’s avonds vaak nog aan het werk was, vroeg ze hem: vertel nog eens. ‘Dan begon hij over de vriendschap, over wat hij en Bernard samen deden. Dat ze eikels gingen zoeken. Mijn vader vertelde over spelletjes en liedjes. En dat het bij de familie Van Dam wel wat chiquer was dan bij hem thuis. Kinderverhalen,’ vat Abelike samen. ‘Maar ook: een Holocaustverhaal. Het stond allemaal in het teken van die afloop.’
In de studeerkamer haalde Abelikes vader, die leraar was, op die momenten het kaartje van Bernard tevoorschijn: een briefkaart met een korte laatste groet, gericht aan Abelikes vader en oom. ‘We zitten in de trein en gaan heel ver weg. Tot ziens jongens’, staat erop. Het kaartje werd opgeraapt en bezorgd, en werd later voor Abelikes vader een opening om over Bernard te vertellen. ‘Dat vond hij heel belangrijk om te doen. Met mijn boek heb ik dat doorgetrokken, voor mij werd dat een soort missie: het boek moest er gewoon komen.’
Voetballen op de brink
Abelike’s grootouders werkten als verplegers in Dennenoord in Zuidlaren. Later lieten zij een huis bouwen op een kavel niet ver van de winkel in manufacturen en confectie van de ouders van Bernard van Dam, die was gevestigd aan de Stationsweg. Op de brink voor de winkel speelden en voetbalden de jongens samen.
Abelike: ‘Mijn oma was bevriend met mevrouw Van Dam. Voor zover je dat bevriend kon noemen, want mijn oma was juffrouw Janssens. Er was standsverschil: mijn opa was “maar” verpleger. Izaäk van Dam, Bernards vader, was voorzitter van een winkeliersvereniging en zat in de gemeenteraad.’ Toen in 1940 de oorlog uitbrak waren de buurjongens zeven en acht jaar. Bernard, de jongste, zou omkomen in Auschwitz, net tien jaar oud.
Bij een bezoek aan de synagoge in Zuidlaren wist Abelike het zeker: ze wilde er een boek over schrijven. De neerlandica volgde een schrijfcursus bij auteur Judith Koelemeijer, die onder meer een biografie over Etty Hillesum op haar naam heeft staan. In de cursus leerde Abelike de fijne kneepjes van het vak.
'Voor mij werd het een missie: het boek moest er komen'
Archieven en dossiers
Abelike las zich in, ging op zoek naar familieleden en bekenden, en deed zelf onderzoek in de archieven, in Drenthe en Groningen, landelijk, bij het Rode Kruis en in politiedossiers. De oudere broers van Bernard zaten tijdens de bezetting enige tijd ondergedoken, maar werden opgepakt. ‘In het politiedossier kon je bijvoorbeeld zien wanneer zijn broer Siemon brood en koffie had gekregen. Door dit soort details kom je heel dicht bij de geschiedenis.’
Het verleden werd soms nog tastbaarder, bijvoorbeeld in een pindastelletje dat van de familie Van Dam is geweest. ‘Mevrouw Van Dam heeft persoonlijke eigendommen door anderen laten bewaren, voor als ze terug zouden komen. Want daar gingen zij, en met hen vele anderen, nog heel sterk van uit: als de oorlog voorbij was, zouden ze weer thuiskomen.’
Het pindastelletje belandde via Abelikes oma bij een tante, die later weleens wat huisraad weggaf. ‘Dit was het enige dat ik graag wilde hebben. Het is op zichzelf niet zo bijzonder of waardevol, maar voor mij wel, vanwege de familie Van Dam.’
Abelike verzamelde alle informatie die ze tegenkwam in een zogenoemde factsheet: een overzicht met verwijzingen naar de bron, in chronologische volgorde. ‘Dan zie je hoe datgene wat er in het leven van de hoofdpersonen gebeurt, zich verhoudt tot de wereldgeschiedenis. En daarmee vallen er kwartjes. Ook al schrijf je een verhaal niet altijd chronologisch, je moet het tijdsverloop wel in de smiezen hebben om meer begrip van de situaties te krijgen. En dan kun je ook gericht gaan zoeken naar wat er nog ontbreekt.’
Een neef in Amerika
Een van de sleutelfiguren bleek Heiman van Dam te zijn, een neef van Bernard die met zijn ouders naar de Verenigde Staten was geëmigreerd. Abelike stuurde een e-mail om met hem in contact te komen en kreeg al snel een reactie. Een kantelpunt, vertelt ze. ‘Het contact begon wat zakelijk, met mijn verzoek om informatie. Vervolgens kreeg ik een mail terug van de neef zelf. Heel speciaal vond ik dat.’
Er volgde correspondentie, waarbij Heiman digitaal wat documentatie stuurde. Abelike vermoedde dat er vast nog veel meer was. ‘En dus moest ik hem bezoeken, ik wilde ‘m heel graag spreken.’
Ze reisde naar Beverly Hills, waar Heiman woonde, en ontmoette er een ontwikkeld man: ‘Hij was in Amerika psychoanalyticus en hoogleraar geworden en had een prachtig huis, met een studeerkamer met een foto van Sigmund Freud aan de wand. Toen ik hem bezocht was hij bijna 90, maar hij had in huis een loopband staan waar hij op trainde. Hij las de buitenlandeditie van het NRC en het Nieuw Israëlietisch Weekblad. Nederlands sprak hij ook nog, met een accent weliswaar. Hij sprak zelfs nog Gronings.’
'Als de oorlog voorbij was, zouden ze weer thuiskomen'
Schoenendoos vol brieven
Hoe hartelijk Abelike in Amerika ook werd ontvangen, met bloemen op de hotelkamer, ze merkte ook enige reserves. ‘Heiman en zijn vrouw wilden natuurlijk wel eerst weten wat voor vlees ze in de kuip hadden. Toen het vertrouwen er eenmaal was, haalden ze een schoenendoos tevoorschijn.’ Daarin zaten brieven, onder andere van de familie Van Dam uit Zuidlaren naar Amerika. Daarmee had Abelike het zo vurig gewenste persoonlijke materiaal voor haar boek in handen.
Ze maakte kopieën en ging die thuis ontcijferen – moeilijk leesbare handschriften op doorschijnend en beschadigd papier. Na de dood van Heiman en zijn vrouw hebben Abelike en hun dochter de originele brieven overgedragen aan het Joods Historisch Museum in Amsterdam.
Hoe vind je als schrijver, te midden van al dat materiaal, de juiste toon voor je boek? ‘Dat was het moeilijkste,’ zegt Abelike. ‘Ik heb meerdere versies gemaakt, tot er iets uitkwam waar ik tevreden over was.’ Het werd een historische roman, door de ogen van de personages en compleet met dialogen. ‘Dat durf ik aan indien ik weet dat er zoiets gebeurd is, of gebeurd kán zijn. Moeilijk was dat vaak wel. Bijna elke zin is een beslissing.’
Het schrijven deed ze erbij, in de uren die ze vrij kon maken, naast een baan en de zorg voor drie pubers thuis. Als het maar even kon boekte ze een “schrijfretraite” in het Italiaanse Toscane, of een bed & breakfast in een stil Gronings dorp of in Zuidlaren zelf.
Tragisch einde
Aan de Stationsweg bestaat het pand van de winkel van Van Dam nog steeds, wel minder karakteristiek dan destijds. In 1941 moest Izaäk van Dam van de Duitse bezetter zijn winkel sluiten. Er volgen meer maatregelen: joden wordt de toegang tot openbare gelegenheden ontzegd en ze moeten een Davidster op hun kleding dragen. Uiteindelijk beginnen de deportaties.
Voor de familie Van Dam wordt het pleit vlak daarna al beslecht, in augustus 1942, zoals Abelike in haar boek uiteenzet. De broers van Bernard houden het op hun onderduikadres niet uit en keren terug naar huis, op klaarlichte dag. Het is aannemelijk dat ze daarbij verraden zijn; er volgt een arrestatie. Een politieagent komt Izaäk van Dam van tevoren nog waarschuwen, maar tevergeefs – het gezin Van Dam besluit bij elkaar te blijven. Ze worden van huis opgehaald en op de trein gezet naar Westerbork, en de volgende dag al naar Polen. Abelike heeft ontrafeld hoe het elk gezinslid is vergaan, met louter een tragisch einde.
Tegen het eind van de roman doet Abelike nog een onthulling over het kaartje van Bernard (dat we hier niet zullen verklappen). Ook kruisen de verhaallijnen van Heiman in Amerika en van het gezin Van Dam zelfs elkaar, in een ander kaartje op het eind van de oorlog. ‘Je weet nooit precies waar je uitkomt bij het schrijven,’ zegt Abelike, ‘maar dit is wel het boek dat ik voor ogen had. De Holocaust is van een onvoorstelbare grootte, maar wat ik me wel altijd goed kon voorstellen wanneer mijn vader over Bernard vertelde, is het verdriet om een vriendje dat opeens weg moet en nooit meer terugkomt.’