Een comfortabele sprong voorwaarts
Vóór de komst van de tram was reizen op het platteland vaak een hachelijke en vooral hobbelige onderneming. Je was aangewezen op de postkoets of de omnibus, die over onverharde wegen zwoegden. De introductie van rails in het wegdek veranderde alles. Doordat de wielen over ijzeren staven gleden, was de rolweerstand minimaal. Eén enkel paard kon hierdoor met gemak een rijtuig vol mensen trekken. Het was voor die tijd een ongekende luxe: goedkoop, relatief snel en bovenal comfortabel.
In Nederland reed de eerste paardentram in 1864 tussen Den Haag en Scheveningen, maar al snel volgde de rest van het land. Vooral na 1878 nam de aanleg een vlucht. De overheid besloot toen dat deze 'eenvoudige spoorwegen' aan minder strenge regels hoefden te voldoen. Dat was gunstig voor de portemonnee van de vele kleine trammaatschappijen die als paddenstoelen uit de grond schoten.
Van Groningen naar Zuidlaren
Ook in onze noordelijke provincies lieten ze zich niet onbetuigd. Een voorbeeld was de lijn van de Tramwegmaatschappij Zuidlaren-Groningen, geopend in 1892. Reizigers konden vanaf het Sterrebos in Groningen helemaal naar het brinkdorp Zuidlaren rijden. Een paar jaar later werd de lijn zelfs doorgetrokken naar het station Vries-Zuidlaren (bij Tynaarloo), zodat je direct kon overstappen op de trein richting Assen of Zwolle.
Wist je dat? In de provincie Groningen lag ooit de langste paardentramlijn op ijzeren rails van heel Europa! De lijn tussen Zuidbroek en Ter Apel was maar liefst 45 kilometer lang. Een flinke tippel voor de paarden, die onderweg dan ook regelmatig gewisseld moesten worden.
De schaduwzijde en de neergang
Hoe charmant het ook klinkt, de paardentram kende ook zijn nadelen. In grote wereldsteden als New York zorgden de duizenden paarden voor een enorme vervuiling; de mesthopen reikten soms tot wel 20 meter hoog. Zo’n vaart liep het in Nederland gelukkig niet, maar ook hier was de paardentram geen lang leven beschoren.
De Eerste Wereldoorlog luidde het definitieve einde in. Het leger vorderde veel paarden voor de strijd, en door de oorlogsschaarste werd het voer voor de overgebleven dieren onbetaalbaar. De prijzen voor hooi gingen door het plafond, terwijl de inkomsten uit kaartjes achterbleven. Veel lijnen sloten hun deuren. Sommige maatschappijen probeerden het tij nog te keren door een tractor voor de tramwagens te spannen – de zogenaamde tractortram – maar dit bleek slechts een tussenoplossing.
Het einde van een tijdperk
Rond 1920 nam de autobus de rol van de paardentram over. De bussen waren sneller, flexibeler en hadden geen rails nodig die duur onderhouden moesten worden. In 1930 reed in Nederland de allerlaatste officiële paardentram. Wat overblijft zijn de verhalen over de koetsier die met een zwierige zwaai de teugels hanteerde en de tijd dat reizen nog echt een onthaaste ervaring was.
Wie vandaag de dag de oude routes van de paardentram fietst, ziet soms nog de contouren van de historie in het landschap. Een herinnering aan de tijd dat we niet 'even snel' naar de stad sjeesden, maar op het ritme van de paardenhoeven onze bestemming ontdekten.