Op je paasbest
Vroeger was de paasdienst hét moment om te laten zien dat je er netjes bij liep. De zogenaamde poaske pronk hield in dat iedereen voor de paasdagen in het nieuw werd gestoken. Meisjes kregen hun eerste jurk met korte mouwen van het jaar en jongens verruilden de lange broek voor een korte variant. Hoewel we nu het hele jaar door shoppen, zie je in sommige Groningse winkels nog steeds reclames voor de 'paaspronk'. Het idee is simpel: op je paasbest aan het ontbijt verschijnen.
Neuten schaiten
Loop je met Pasen door een Gronings dorp of langs een terras in de stad, dan is de kans groot dat je het getik van stenen kogels tegen walnoten hoort. Bij het neuten schaiten leggen we een lange rij van 25 walnoten op de grond. De kunst is om met een grote knikker (de dorrel) zoveel mogelijk noten van de lijn te ketsen. Vroeger werd er fanatiek om geld gespeeld, maar tegenwoordig gaat het vooral om de eer en de gezelligheid. Het is een prachtig schouwspel dat jong en oud al generaties lang samenbrengt op de stoep of bij de plaatselijke kroeg.
Paasvuren
In grote delen van de provincie zie je op Eerste of Tweede Paasdag de rookpluimen al van verre opstijgen. De paasvuren zijn een diepgewortelde traditie in de noordelijke provincies. Waar het vroeger draaide om de vruchtbaarheid van het land – het as werd zelfs over de akkers gestrooid – zien we het nu vooral als het symbolisch verjagen van de winter. Hoe hoger de bult, hoe groter het feest.
Kijk voor een overzicht van alle paasvuren in Groningen op de website van RTV Noord.
Paalmpoask
Op de zondag vóór Pasen, of soms op Goede Vrijdag, trekken de kinderen soms nog door de dorpen met een poaskaai. Dit is een versierde paastak in de vorm van een kruis, behangen met linten en rozijnen, met bovenop een broodje in de vorm van een haan of zwaan.
Vroeger was dit feest overigens een stuk minder zachtzinnig. In plaatsen als Loppersum begon de dag op Goede Vrijdag al om 6 uur 's ochtends. Kinderen die vroeg uit de veren waren, schreven met krijt hun naam op de schooldeur om hun vlijt te bewijzen. De laatkomer die pas vlak voor de bel het plein op kwam druppelen, was de spreekwoordelijke klos: het aaskejong.
Deze luilak kreeg een juten zak vol as om de hals – de aaskepuut – waar de andere kinderen met knuppels op sloegen tot de aswolken eromheen vlogen. Als ultieme schandebak werd de ongelukkige op een plank door het hele dorp gedragen, terwijl hij door iedereen werd uitgejouwd. Het ritueel stond symbool voor het verjagen van de 'boze winterman'. Tegenwoordig houden de kinderen het gelukkig bij het vrolijk langs de deuren lopen met hun versierde takken in ruil voor wat lekkers.