Wie vandaag de dag de radio aanzet, hoort steevast over files en vertragingen. Het is bijna niet voor te stellen dat er een tijd was waarin onze wegen alleen het domein waren van fietsers, wandelaars en spelende kinderen. De autoloze zondagen van 1973 en 1974 staan in het nationale geheugen gegrift als een vreemde, bijna serene periode.
Een olieboycot
Hoewel de herinnering vaak gekleurd is door nostalgische, uitgelaten beelden, was de aanleiding allesbehalve feestelijk. In het najaar van 1973 brak de Jom Kippoer-oorlog uit in het Midden-Oosten. Omdat Nederland Israël steunde, besloten de Arabische olieproducerende landen – verenigd in de OAPEC – de kraan dicht te draaien. Deze olieboycot zorgde voor een acute dreiging van brandstoftekorten.
Om de voorraad te sparen, stelde het kabinet-Den Uyl een aantal maatregelen in, waaronder de autoloze zondag; een "rustdag" voor de motor. Waarom specifiek de zondag? Dat was een praktische en economische afweging. De zondag was destijds nog veel meer dan nu een dag van rust, kerkgang en familiebezoek; een dag waarop de auto wel gemist kon worden, mits de Nederlander bereid was de benen te gebruiken of de fiets te pakken.
Eerste autoloze zondag
Op 4 november 1973 was het zover: de eerste van in totaal tien autoloze zondagen was een feit. Tussen drie uur ’s nachts op zondag en drie uur ’s nachts op maandag was het verboden om met een motorvoertuig de weg op te gaan. Alleen wie een goede reden had – denk aan dokters en politie-agenten – kon een officiële ontheffing krijgen. De enkele auto’s die wel reden, waren voor iedereen herkenbaar aan de grote sticker die pontificaal op de voorruit prijkte.
Voor de rest van Nederland betekende dit een flinke omschakeling. Wie op zondag op familiebezoek wilde, was aangewezen op de benenwagen, de fiets of het openbaar vervoer. De NS reed met extra lange treinen en de bussen zaten vol met mensen die toch dat ene kopje koffie wilden drinken.
Rolschaatsen op de snelweg
De cijfers lieten zien dat het benzineverbruik op die specifieke zondagen met zo'n 10% daalde. Dat was een aardige besparing, maar het loste de oliecrisis niet structureel op. De maatregel was dan ook vooral bedoeld als een psychologisch signaal: we moesten ons ervan bewust worden dat onze welvaart en mobiliteit kwetsbaar waren.
Toch bracht de noodgreep ook iets moois. De stilte die over Nederland neerdaalde, was voor velen een openbaring. Het was stiller en de lucht rook frisser. Er ontstond ook een gevoel van saamhorigheid: je zag gezinnen over de weg wandelen en fietsen, sommige mensen gingen er zelfs picknicken en kinderen die normaal strikt op de stoep moesten blijven konden nu kilometers lang over het gladde asfalt rolschaatsten. Het was een surrealistisch gezicht om te zien hoe een vader zijn dochter leerde fietsen op exact de plek waar normaal gesproken het verkeer met hoge snelheid voorbijraasde.
Uniek hoofdstuk in de geschiedenis
Uiteindelijk werd de boycot in de loop van 1974 opgeheven en nam de drukte op de weg weer toe. De autoloze zondag verdween, maar de verhalen bleven.
Herinner jij je die zondagen nog? De onwennige stilte, het fietsen op de snelweg of die ene buurman die toch stiekem probeerde te rijden? Het blijft een uniek stukje geschiedenis dat ons laat zien dat de wereld er heel anders uit kan zien als we de sleutel een dagje in het slot laten zitten.