Aletta werd in 1854 geboren als achtste kind in een groot Joods gezin. Haar vader was arts en al vroeg wist Aletta dat zij dat ook wilde worden. In die tijd was studeren aan een universiteit alleen weggelegd voor mannen, maar de jonge Aletta liet zich niet uit het veld slaan. Op zeventienjarige leeftijd klom ze in de pen en schreef ze een gedurfde brief aan minister Thorbecke. Haar verzoek? Toelating tot de academische lessen. Thorbecke antwoordde (officieel aan haar vader, want Aletta was nog minderjarig) dat het akkoord was. Het was het begin van een revolutie in het Nederlandse onderwijs.
Hoewel er in de eeuwen daarvoor al vrouwen waren die als genezeres of chirurgijn werkten, was Aletta de eerste die deze weg via de universiteit bewandelde. In 1878 haalde ze haar artsexamen en een jaar later promoveerde ze aan de Rijksuniversiteit Groningen. Daarmee was ze de eerste vrouw in Nederland die de officiële titel van arts mocht dragen.
Meer dan alleen een dokter
Toen Jacobs haar studie had afgerond, zag ze zich gedwongen om naar Engeland te vertrekken. In Nederland bleven de deuren van de ziekenhuizen namelijk gesloten voor een vrouwelijke arts. In Londen opende zich echter een nieuwe wereld voor haar; ze ontmoette daar gelijkgestemde vrouwen van de London School of Medicine for Women. Deze ontmoetingen met uitgesproken feministen, die streden voor zaken als geboortebeperking en het recht om te stemmen, vormden een belangrijke inspiratiebron voor haar verdere idealen.
Uiteindelijk keerde Jacobs terug naar Nederland en opende ze haar eigen huisartsenpraktijk aan de Herengracht in Amsterdam. Haar werk hield echter niet op bij de drempel van de spreekkamer; als arts zag ze dagelijks hoe arme moeders lichamelijk uitgeput raakten door de ene zwangerschap na de andere. Omdat ze vond dat vrouwen recht hadden op een gezond leven, hield ze wekelijks gratis spreekuren voor minvermogenden en introduceerde ze het pessarium als voorbehoedsmiddel – een uiterst gedurfde stap waarvoor ze destijds flink onder vuur kwam te liggen.
De strijd voor het rode potlood
Haar oog voor onrecht zorgde ervoor dat Aletta zich op steeds meer vlakken liet horen. Zo viel het haar op dat winkelmeisjes vaak elf uur per dag moesten staan, wat tot ernstige lichamelijke klachten leidde. Dankzij haar onvermoeibare lobby werden winkels uiteindelijk wettelijk verplicht om voor 'zitgelegenheid' te zorgen.
Maar haar grootste gevecht moest toen nog beginnen: de strijd voor het vrouwenkiesrecht. Jarenlang voerde ze als voorzitter van de vereniging voor vrouwenkiesrecht actie met tentoonstellingen, petities en indrukwekkende demonstraties. Pas in 1919, toen Aletta inmiddels 65 jaar oud was, werd het wetsvoorstel aangenomen dat vrouwen eindelijk het recht gaf om hun eigen stem te laten horen in de politiek.
Een erfenis van vrede
Zelfs tijdens de donkere jaren van de Eerste Wereldoorlog bleef Aletta internationaal strijdbaar. Ze nam het initiatief voor een groot vrouwencongres in Den Haag, waar afgevaardigden uit de hele wereld bijeenkwamen om over vrede te praten. Haar invloed reikte zelfs tot in het Witte Huis, waar ze president Wilson adviseerde over internationale bemiddeling. Aletta Jacobs stierf in 1929 in Baarn, maar haar nalatenschap is overal om ons heen. Van de collegebanken tot het stemhokje: overal waar vrouwen hun eigen weg kiezen, klinkt de echo van die vastberaden Groningse arts uit Sappemeer.