Stel je voor dat je honderden jaren geleden 's avonds nog de deur uit moest. In steden was het na het luiden van de avondklok simpelweg pikdonker. Er was geen straatverlichting; wie de weg wilde vinden, moest zelf een lantaarntje met een kaars meebrengen om niet in de gracht te belanden of tegen een gevel op te lopen. De weinige verlichting die er was, bestond uit kaarsen in lantaarns die her en der aan bruggen of muren hingen. Het gaf nauwelijks licht en kaarsen waren bovendien duur en brandden snel op.
De komst van de lantaarnopsteker
Pas in de 17de eeuw kwam er echt verandering in die duistere straten dankzij de Amsterdamse uitvinder Jan van der Heyden, die een olielantaarn ontwikkelde die niet lekte en veel langer bleef branden. Door deze lampen voor het eerst op zelfstandige palen te plaatsen, zorgde hij ervoor dat het licht niet langer alleen aan gevels hing, maar de hele straat efficiënt kon verlichten. Deze nieuwe lampen gaven veel meer licht dan een flakkerende kaars, maar ze vroegen ook om een hoop onderhoud. Hierdoor verscheen er een nieuw gezicht in het straatbeeld: de lantaarnopsteker.
Deze persoon was een vertrouwde verschijning in de buurt. Elke avond, precies na zonsondergang, trok hij de wijk in met zijn ladder of een lange stok. De lantaarnpalen uit die tijd – die we nu vaak nog als decoratie in onze binnensteden zien – hadden niet voor niets die horizontale dwarsstokjes bovenaan. Daar kon de opsteker zijn ladder stevig tegenaan zetten. Met een brandende lont stak hij de lampen aan, om ze in de vroege ochtend weer één voor één te doven. Het was zwaar en precies werk, want de bewoners rekenden op hun licht.
Van sissend gas naar de eerste stroom
In de 19de eeuw veranderde het straatbeeld opnieuw door de komst van gaslicht. In plaats van olie werden de lampen nu gevoed door gas uit fabrieken. Het gaf de straten een heel specifieke, sfeervolle gloed, al ging dat in het begin wel gepaard met een typische geur die door de straten trok. Hoewel de techniek vernieuwde, bleef de lantaarnopsteker onmisbaar; ook de gaslampen moesten immers elke avond met de hand worden aangestoken.
De echte revolutie kwam natuurlijk met de elektriciteit. Ineens konden we met één druk op de knop hele wijken tegelijk verlichten. De lantaarnopsteker werd langzaam maar zeker een herinnering aan vroeger. In 1957 ging in Haarlem de allerlaatste lantaarnaansteker van Nederland met pensioen. Hiermee verdween een beroep dat eeuwenlang symbool stond voor veiligheid in de nacht. Als je nu door een oude straat wandelt en een antieke lantaarnpaal ziet, denk dan nog eens terug aan die tijd: het licht van nu heeft een lange en sfeervolle weg afgelegd.