1. Van midwinterboom tot huiskamertraditie
De kerstboom is ouder dan veel mensen denken. De wortels liggen in Germaanse gebieden, waar groen in de winter symbool stond voor vruchtbaarheid en levenskracht. Juist omdat dennen en sparren hun kleur houden als het buiten kaal en donker is, pasten ze perfect bij de midwinterviering rond de kortste dag van het jaar. Dat had toen nog weinig te maken met het kerstverhaal zoals we dat nu kennen.
In die vroege vorm stond de boom vaak op een centrale plek, bijvoorbeeld in of bij het dorp. Versiering was er wel, maar anders dan nu: denk aan appeltjes en andere attributen. Kaarsjes, kerstballen en het “kerstboomgevoel” zoals wij dat herkennen, kwamen later. In teksten uit de 13de eeuw duikt voor het eerst het beeld op van een groene boom met kaarsen. En aan het eind van de middeleeuwen haalden inwoners van de Elzas al een versierde boom in huis, compleet met kaarsen, glansspul, gekleurd papier, appels, koek en suikergoed. Pas halverwege de 19de eeuw waaide die gewoonte breder door West-Europa en werd de kerstboom ook in Nederland echt een huiskamerboom.
2. De kerk was er eerst niet van gediend
Opvallend: christelijke kerken, en vooral de Rooms-Katholieke kerk, hielden de kerstboom lange tijd juist op afstand. De boom hoorde immers bij een traditie die niet direct over de geboorte van Jezus ging. Later veranderde dat: de boom werd geaccepteerd en juist omarmd als symbool van licht.
In Nederland speelde de kerk bovendien een rol in hoe “gewoon” de kerstboom werd. Waar een boom in huis eerder vooral bij rijke protestantse gezinnen paste, zorgden zondagsscholen in de 19de eeuw er mede voor dat ook armere gezinnen de traditie leerden kennen en overnamen.
3. Een kerstboom kan een brandhaard worden
Een echte boom is prachtig, maar ook gevoelig. Het risico zit vooral in uitdroging: droge takken van een spar vatten razendsnel vlam, bijvoorbeeld bij kortsluiting in kerstverlichting. Met voldoende water verklein je dat gevaar flink. Een boom mag gerust in een bak met een laag water staan, en sommige adviezen gaan zelfs uit van ongeveer één liter water per dag. Kunstbomen geven doorgaans minder brandrisico, omdat veel ervan zijn geïmpregneerd.
4. Je haalt er een heel ecosysteem mee naar binnen
Met de boom komen soms ook “logees”. In een fijnspar kunnen volgens kenners duizenden kleine dieren leven, in extreme aantallen zelfs tot 25.000. Denk aan insecten en ongewervelden zoals spinnen en springstaarten. Meestal doen ze de boom geen kwaad: het is simpelweg het mini-ecosysteem dat bij een naaldboom hoort. Een uitzondering is de letterzetter, een kever die eitjes in de schors kan afzetten, waarna larven de schors aantasten en de boom verzwakken.
5. Dennennaalden op je bord, maar let goed op
Nog zo’n onverwacht weetje: naalden kunnen eetbaar zijn. Wildplukkers gebruiken bijvoorbeeld naalden van den, spar of lariks als smaakmaker, bijvoorbeeld door er thee van te trekken met heet water en eventueel wat gember. Maar hier geldt echt: goed opletten. Taxus is giftig en herken je onder meer aan een minder uitgesproken geur en een donkergroene onderkant van platte naalden. En een praktische waarschuwing: kerstbomen die je koopt, zijn vaak behandeld met middelen die je liever niet in je keuken terugziet.
6. Van kaarsjes tot lampjes en “engelenhaar”
Vroeger gingen er echte kaarsjes in de boom, wat de sfeer verhoogde, maar ook het risico. Elektrische kerstlampjes bestaan al sinds 1882, dus die “moderne” uitvinding is eigenlijk al een oude bekende. En wie weleens oude foto’s ziet, komt soms ook engelenhaar tegen: glasvezel of lametta-achtig materiaal dat kriebelde en later werd vervangen door zachtere slingers.
- RTV Drenthe, Verrassend Wonen
- Adobe Stock