De houten kast waarin het hele gezin sliep
Tot in de 20ste eeuw sliepen veel mensen in de woonkamer: het warmste deel van het huis. Daar stond vaak één of meerdere bedsteden: houten kasten met een gordijn of deurtjes ervoor. Ze sloten het bed af van tocht en hielden de warmte van de haard goed vast. Praktisch, zeker in huizen waar een extra stookplaats geen optie was.
Veel bedsteden waren bescheiden van formaat. Een breedte van iets meer dan een meter en een lengte van anderhalve meter was niet ongebruikelijk. Toch deelden twee volwassenen er vaak een. En was er een baby, dan lag die niet tussen hen in, maar vaak in een uitschuiflade ónder de bedstee. Vandaar ook het spreekwoord “het ondergeschoven kindje” – letterlijk het kind dat onder het bed werd geschoven.
Geen lucht, geen ruimte, wél beestjes
De romantiek van een bedstee verdwijnt snel als je bedenkt dat het een donkere, afgesloten ruimte was waar nauwelijks geventileerd werd. Het was er vaak warm, vochtig en moeilijk schoon te houden: precies de omstandigheden waar vlooien, wandluizen en ander ongedierte uitstekend gedijen. Voor veel mensen was het dan ook vaste prik om voor het slapen eerst het bed controleren en beestjes dood te knijpen.
In volksbuurten in grote steden – waar de omstandigheden nog krapper waren – sliepen kinderen soms maar gewoon op de vloer. En wie pech had, werd de hele nacht wakker gehouden door kriebel, jeuk en irritaties.
Half zittend slapen
In de meeste bedsteden lag je niet plat maar half rechtop, gesteund door een peluw (een groot kussen) met kleinere kussens erbovenop. Dat was deels noodzaak: wie zich volledig zou uitstrekken, paste simpelweg niet. Maar er zat ook een overtuiging achter: plat liggen was iets voor zieken of doden. Men dacht dat er te veel bloed naar het hoofd kon stromen, met alle risico’s van dien. Half zittend slapen voelde dus veiliger – al was het waarschijnlijk niet heel comfortabel.
Stro, kaf en een kruik tegen de kou
Tot ver in de 20ste eeuw was het niet ongewoon om op een strozak of een met kaf gevulde bedzak te slapen. Nieuwe vulling lag heerlijk hoog, maar zakte snel in – met als gevolg dat het bed dagelijks moest worden opgeschud. Warm blijven deed je met een steen die even op de kachel had gelegen, een koperen pan gevuld met kooltjes of een warme kruik: vaak noodzakelijk in huizen waar de temperatuur ’s nachts flink kon dalen.
Het comfort van nu
Het comfort dat wij vanzelfsprekend vinden – ventilatie, slaapkamers, matrassen, dekbedden, verwarming – kwam voor veel mensen pas na de Tweede Wereldoorlog, toen de welvaart steeg. Nu roept de bedstee vooral nostalgie op, en herinnering aan een tijd dat slaap nog niet zo ontspannend was. Achter die geur van oud hout schuilt een wereld die minder romantisch was dan hij eruitziet: donker, benauwd, krap en kriebelig – hoewel sommigen de tijd in de bedstee ook als knus en gezellig hebben ervaren.
- Quest, Brabants Historisch Informatie Centrum