Lifestylemagazine over Noord-Nederland

Het geheime Drenthe van 1900: zo ontstonden de ruige desperadokoloniën

Wie het Drentse dorp Frederiksoord binnenrijdt, ziet het niet meteen, maar hier begon een van de meest ambitieuze sociale experimenten uit de Nederlandse geschiedenis. De Koloniën van Weldadigheid boden arme stedelingen een nieuwe kans – en leidden, heel onbedoeld, ook tot iets totaal anders: de ruige, verborgen desperadokoloniën.

Desperadokoloniën
Plaggenhut in Drenthe, 1899. Foto: Drents Archief

De droom van generaal Van den Bosch

Aan het begin van de 19de eeuw stond Nederland er beroerd voor. De economie lag na de Franse tijd op haar gat, in de steden was honger aan de orde van de dag en duizenden gezinnen overleefden alleen dankzij bedelen. Generaal Johannes van den Bosch, een man met zowel militaire discipline als Verlichtingsidealen, vond dat dit anders moest. Geen aalmoezen, geen liefdadigheid, maar wél een kans om door hard werken een beter leven op te bouwen.

En zo ontstonden vanaf 1818 de Koloniën van Weldadigheid: Frederiksoord, Wilhelminaoord, Willemsoord en later ook de onvrije koloniën Veenhuizen en Ommerschans. In de drie vrije koloniën werden gezinnen vrijwillig geplaatst. Ze kregen een eenvoudig huisje, een lapje grond en een strak dagschema. Opstaan, werken, leren, wéér werken – de dagen waren lang, maar de belofte was groot: wie zich aan de regels hield en z’n best deed, kon zich ontworstelen aan de armoede.

De koloniën waren hun tijd ver vooruit. Er was gezondheidszorg, ouderenzorg en leerplicht lang voordat die dingen in de rest van Nederland normaal waren. In Museum De Proefkolonie in Frederiksoord wordt dat verhaal verteld: met film, archiefstukken en zelfs oude werktuigen die laten voelen hoe zwaar en hoopvol zo’n nieuw begin moet zijn geweest.

Waar regels streng waren… ontstond ook verzet

Maar waar orde heerst, ontstaat ook frictie. Niet iedereen paste in het ritme van de koloniën of hield het strenge regime vol. Sommigen ontvluchtten het systeem en trokken het veld in – letterlijk. Rond de koloniën ontstonden huttendorpen: kleine nederzettingen in de heide en veengebieden, opgebouwd uit plaggen, takken en alles wat voorhanden was. Wie erin slaagde zo’n hut in één nacht op te bouwen én rook uit de schoorsteen te laten komen, had volgens gewoonterecht het recht om te blijven.

Deze gehuchten kregen later de bijnaam desperadokoloniën. Niet omdat het bandieten waren, maar omdat het bewoners waren die buiten het systeem leefden – arm, koppig, inventief, soms wanhopig maar altijd vasthoudend. Ze verdienden hun brood met wat de natuur bood: vooral mandenvlechten van biezen en wilg. In onder andere Vledderveen, het Oosterse en Westerse veld, de Marijenkampen en het Nijensleker veld leefden tot ver in de 20ste eeuw mensen in deze geïmproviseerde hutten. Zelfs in de jaren 60 stonden er nog zulke onderkomens bij Noordwolde.

De overheid keek er met argusogen naar. In 1916 werd er zelfs een marechausseekazerne gebouwd om orde te houden in de woeste velden – al was er vooral veel armoede en weinig rebellie.

Van armoede naar ambacht: de rietvlechttraditie

Uit diezelfde huttendorpen groeide onverwacht een ambachtelijke trots: het rietvlechten. De bewoners hadden het ooit uit nood opgepakt, maar in Noordwolde werd het een heuse industrie. De kwaliteit werd zó goed dat de landelijke overheid aan het begin van de 20ste eeuw besloot een officiële opleiding te financieren: de Rijks Rietvlechtschool (1910–1911). Hier bereikte het vlechten een bijna kunstzinnig niveau.

Tegenwoordig vind je in datzelfde gebouw het Nationale Vlechtmuseum: een aanrader voor iedereen die meer wil weten over deze bijzondere combinatie van armoede, creativiteit en doorzettingsvermogen.

Cultuur