Lifestylemagazine over Noord-Nederland

Winter zonder verwarming: zo kwamen mensen vroeger de koude maanden door

Een warme woonkamer met één draai aan de knop: we vinden het tegenwoordig heel gewoon. Maar nog niet zo lang geleden was een huis in de winter vooral koud, met kamers waar je je adem kon zien. Hoe kwamen mensen vroeger die maanden door, zonder centrale verwarming of goede isolatie? Met slimme gewoontes, extra lagen en warmte die je zelf moest maken.

Winter vroeger
Winter in Oud Drenthe, 1961. Foto: Collectie Mulder, Drents Archief

Een huis dat niet vanzelf warm werd

Voor veel gezinnen gold vroeger in de winter: warmte was er maar op één plek. In de keuken of de woonkamer stond een kachel, vaak een kolenkachel of een fornuis dat tegelijk voor het eten en de warmte zorgde. De rest van het huis bleef koud. Slaapkamers boven waren ’s winters ijzig, gangen tochtten, en achter de dakpannen kon je soms letterlijk het stro of houtwerk zien zitten.

Wie ouder is, herinnert zich het gevoel misschien nog: je stapt ’s morgens uit bed en je voeten raken een vloer die zo koud aanvoelt als steen. Op de ramen zaten ijsbloemen, een soort kleine kunstwerkjes van vorst. Mooi, maar het zei vooral één ding: vannacht was het binnen bijna net zo koud als buiten.

Kleding als eerste kachel

Warm blijven begon bij je eigen lijf. Mensen droegen meerdere lagen kleding, zodat er stilstaande lucht tussen de stoffen bleef zitten. Dat dunne luchtlaagje werkte als isolatie. Lang ondergoed dicht op de huid, daarover een trui of vest, een lange broek of rok en daar een jas overheen. Wol was favoriet: warm, stevig en ook nog redelijk behaaglijk als het een beetje vochtig was. Dikke sokken waren geen luxe. Wie binnen in een dun shirt rondliep, zou vroeger vooral gek aangekeken zijn.

Een strijd tegen tocht

Huizen waren niet alleen koud omdat er weinig werd gestookt, maar ook omdat de kou overal naar binnen kroop. Dus werd er tegen de tocht gevochten. Voor ramen hingen zware, gevoerde gordijnen. ’s Avonds gingen luiken dicht, waardoor je een extra barrière kreeg tussen binnen en buiten.

In rijkere huizen werden wandkleden opgehangen. Die waren niet alleen decoratief; ze hielden ook de kou van de buitenmuren tegen. En op de vensterbank of langs de vloer lagen tochtslangen, soms gewoon een opgerolde lap stof met vulling erin. Alles om die kieren net wat minder vrij spel te geven.

De houten woning van Gezinus Mulder in Bellingwolde, januari 1916. Foto- T. Post, Groninger Archieven

Het huis kleiner maken

Wie niet de luxe had om meerdere kamers te stoken, maakte het huis simpelweg kleiner. Tussendeuren gingen dicht en iedereen zat in dezelfde ruimte. Rond de eettafel, dicht bij de kachel. Daar werd gelezen, huiswerk gemaakt, sokken gestopt en gekletst. Het was zuinig, maar het maakte de winter ook tot een seizoen van samenzijn.

Stoof, kruik en beddenpan

Voor de echt koude momenten waren er persoonlijke warmtemakers. De stoof is daar het bekendste voorbeeld van: een houten of aardewerken kist met een vuurtest vol smeulende kolen. Je zette je voeten erop of schoof hem onder een wijde rok. Even later voelde je je hele lijf weer ontdooien.

Ook het bed werd voorbereid. Want slapen in een verwarmde slaapkamer was uitzonderlijk; de kachel ging ’s avonds uit. Daarom werd het bed opgewarmd met een kruik, een koperen beddenpan gevuld met kooltjes of met een steen die op de kachel had gelegen en daarna in een doek werd gewikkeld. Daarna kwamen er extra dekens bij, liefst wollen. En als er niet genoeg waren, ging er gewoon een jas bovenop. In grote gezinnen sliepen kinderen vaak samen, simpelweg omdat dat warmer was.

Beweging als remedie

En als je het dan nog steeds koud had, was er altijd één betrouwbaar middel: bewegen. Hout hakken, even flink schrobben of een brood bakken. Werk was warmte. Het klinkt simpel, maar precies zo hielden mensen zich staande in koude huizen.

Cultuur
  • Historianet, Archeolife, SchoolBANK