Lifestylemagazine over Noord-Nederland

Terug naar vroeger: zo was het om 100 jaar geleden met de trein te reizen

Honderd jaar geleden was met de trein reizen geen haastklus, maar een dagdeel op zichzelf. Je kocht een kaartje aan het loket, vond je plek in de juiste klasse en liet de tijd rustig meelopen met de stoom. Die wereld is grotendeels verdwenen – behalve op één spoorlijn in Groningen.

Vroeger met de trein
Treinstation in Stadskanaal, 1906. Foto: uitgever Eerelman, collectie Gemeente Stadskanaal

Een kaartje, drie klassen en veel geduld

Wie vroeger met de trein ging, begon bij het loket. Daar kocht je een gedrukt kartonnen kaartje, vaak met bestemming én klasse erop. Nederland kende toen standaard drie klassen: eerste klas voor de welgestelden met zachte bekleding en veel ruimte, tweede klas voor de middenlaag, en derde klas voor de grote meerderheid, met houten banken en minder comfort. Het verschil zat niet alleen in luxe, maar ook in sfeer: de eerste klas was stil en keurig, de derde klas levendig en soms stampvol.

Conducteurs knipten onderweg je kaartje en controleerden streng; reizen zonder ticket was geen sport maar een risico. De trein was bovendien niet goedkoop voor iedereen. Voor arbeiders was een rit soms een hele uitgave, waardoor treinreizen vooral iets was voor werk, familiebezoek of een bijzondere gelegenheid.

Station Echten, 1913-1940. Treinstations waren niet alleen in grote steden, maar ook in kleinere plaatsen te vinden. Foto: Willem de Vries, collectie Drents Archief

Stations als kleine werelden

Stations waren knooppunten waar de tijd een beetje langzamer liep. Je had wachtruimtes per klasse, aparte bagageafhandeling en vaak een stationsrestauratie waar je kon wachten op de volgende aansluiting. En wachten deed je regelmatig, want dienstregelingen waren minder strak op elkaar afgesteld dan nu. Dat gaf ook rust: een treinreis was geen snelle verplaatsing, maar een dagdeel dat je inplande.

De rijtuigen waren meestal nog van hout en veel treinen werden getrokken door stoomlocomotieven. Dat betekende rook, roet en soms een vonkje op je jas als je pech had. Roken in de trein was heel normaal; sommige coupés waren zelfs speciaal daarvoor bedoeld. Reizen was dus niet altijd fris of comfortabel, maar wél een indrukwekkend staaltje techniek: je ging sneller en verder dan ooit tevoren.

Vanaf het begin van de 20ste eeuw kreeg die wereld langzaam concurrentie. Auto’s en later bussen werden steeds gewoner en bereikten plekken waar het spoor nooit kwam. Vooral lokale lijnen met weinig reizigers verdwenen vanaf de jaren 30, simpelweg omdat ze niet meer rendabel waren.

Stoomtrein van Museumspoorlijn STAR. Foto: Berend Drent

Terug in de tijd met de STAR

Wie dat oude treinreizen niet alleen wil lezen maar ook even wil vóélen, kan in Oost-Groningen nog echt opstappen zoals toen. De Museumspoorlijn STAR rijdt tussen Veendam en Stadskanaal, met stoomlocomotieven die rustig tuffen door de Veenkoloniën. Geen haast, maximaal 40 kilometer per uur – en dat is precies de charme. Je ziet het landschap weer langs je schuiven zoals reizigers het meer dan een eeuw geleden zagen: kanalen, lintdorpen, veengrond en akkers die eindeloos lijken door te lopen.

De lijn zelf heeft ook een mooi noordelijk verhaal. Ooit was dit het traject van de Groningsch-Drentsche Spoorwegmaatschappij richting Ter Apel en de rijksgrens. Voor passagiers hield het al vroeg op: in 1935 werd het personenvervoer geschrapt omdat er simpelweg te weinig mensen instapten in dit dunbevolkte gebied.

Goederen bleven nog lang wél rijden, vooral dankzij Philips in Stadskanaal, dat via het spoor kunstmest en fabrieksspul aan- en afvoerde. Pas toen die fabriek in 1990 sloot, wilde de Nederlandse Spoorwegen de rails weghalen. En daar kwam de STAR om de hoek kijken: een groep liefhebbers uit de streek die het spoor redde van de snijbrander en in 1992 de stichting oprichtte. Sinds 1994 rijdt hier weer een boemeltrein – gedragen door zo’n grote club vrijwilligers die sleutelen, stoken, rangeren, kaartjes knippen en koffie schenken.

Het emplacement in Stadskanaal is inmiddels een klein museum op zichzelf: met perrons, een restauratie, werkplaatsen en rijtuigenloodsen waar je de geur van kolen en smeerolie meteen herkent. Stap je in, dan krijg je vanzelf dat ouderwetse reisgevoel terug: kartonnen kaartjes, coupés met houten banken, het gerammel van wielen op de rails en af en toe de stoomfluit die over het land snijdt. Geen opgepoetste attractie, maar een levende herinnering aan hoe reizen hier ooit begon.