Het ontstaan van de turfwinning
Waar nu de Veenkoloniën liggen, een streek in Oost-Drenthe en Oost-Groningen, strekte zich ooit een eindeloze zee van hoogveen uit. Dit veen ontstond in duizenden jaren tijd uit afgestorven planten die zich ophoopten in het natte landschap. In de middeleeuwen werd ontdekt dat dit veen, gedroogd tot blokken turf, uitstekend brandde. Omdat hout in die tijd schaars en duur was, groeide turf al snel uit tot de belangrijkste brandstof in Nederland.
Aanvankelijk waren het vooral kloosters die het veen afgroeven en de turf verhandelden. Met name de stad Groningen zag al vroeg de waarde in: turfwinning betekende inkomsten én invloed. Om het turf goed te kunnen vervoeren, werden kanalen en vaarten gegraven, waarvan Stadskanaal de bekendste is. Hierdoor konden grote hoeveelheden turf naar de stad en verder het land in worden vervoerd. Zo ontstonden langs de kanalen nieuwe dorpen en boerderijen, die samen het karakteristieke lintenlandschap van de Veenkoloniën vormden.
Hoe turf werd gewonnen
Turfsteken was een arbeidsintensief en zwaar proces. Eerst werd het veen ontwaterd met greppels en kanalen. Daarna werd de bovenste, onbruikbare laag weggehaald en begon het echte werk. Met speciale schoppen sneed men blokken uit de veenbodem, die vervolgens op lange rijen te drogen werden gelegd. Het werk gebeurde met hele ploegen, vaak bestaande uit mannen, vrouwen én kinderen.
Er waren twee manieren van werken: droge vervening, waarbij men veen uit gegraven putten stak, en natte vervening, waarbij het veen met baggerbeugels uit sloten werd gehaald en uitgespreid op akkers om te drogen. Welke methode men gebruikte, hing af van het gebied en de kwaliteit van het veen. Per dag produceerden de werkploegen wel duizenden stukken turf, die daarna met kruiwagens of schepen werden afgevoerd.
/https%3A%2F%2Fcdn.pijper.io%2F2025%2F09%2FvBdYfTPKidfUNC1756806029.jpg)
Zwaar werk en schamele hutten
Het werk van de turfsteker was meedogenloos zwaar. Zodra in maart de grond niet meer bevroren was, begon het seizoen. Mannen, vrouwen en kinderen groeven samen de veenlaag af, sneden turven op maat en stapelden ze op lange rijen legakkers om te drogen. Per ploeg konden ze zo'n 6.000 turven per dag verplaatsen – vaak met kruiwagens van 70 kilo. In weer en wind, soms tot ver na het middaguur, ging men door.
Veel arbeiders waren seizoenwerkers die in eenvoudige plaggenhutten bij de venen woonden. De hutten waren vochtig, krap en vol ongedierte, maar ze lagen dicht bij het werkveld. Wie geluk had, werkte vast voor een vervener en mocht met zijn gezin een stenen huisje huren. Toch bleef armoede troef. De geur van nat veen, het ploeteren door de modder en het sjouwen van zware turven bepaalden het dagelijks bestaan.
Een landschap in beweging
Toen de laatste turf in de 20ste eeuw was afgestoken en steenkool, olie en gas werden gebruikt, was het werk van de turfsteker verleden tijd. Wat achterbleef, was een totaal nieuw landschap: rechte kanalen, strakke kavels en langgerekte dorpen met grote herenboerderijen en eenvoudige arbeiderswoningen. De Veenkoloniën groeiden uit tot een uniek gebied, waar arbeiders van heinde en verre hun geluk kwamen zoeken.
Vandaag de dag herinneren plaatsnamen als Veendam, Stadskanaal, Hoogeveen en Hoogezand-Sappemeer ons nog aan de turf. Turfwinning mag verdwenen zijn, maar de sporen ervan zijn in het noorden nog overal te zien: in het landschap, in de dorpen en in de verhalen van de mensen.
- Geopark De Hondsrug, Canon van Nederland, Archeologie Online IsGeschiedenis, Wikipedia
- Drents Archief, Collectie Knigge