Lifestylemagazine over Noord-Nederland

Maandag wasdag: zo deed men vroeger de was

Tegenwoordig draai je een wasje met één druk op de knop – en dat kan op elke dag van de week. Maar nog niet zo lang geleden was dat wel anders. De wasmachine bestond nog niet, en het schoon krijgen van kleren, lakens en handdoeken was een dagtaak die letterlijk spierballen vereiste. Maandag was dé vaste wasdag, en in veel gezinnen rook dan het hele huis naar sop, stijfsel en natte was. Hoe ging dat precies, toen wassen nog handwerk was?

Was

Zondag voorbereiden, maandag boenen

De was begon niet op maandagochtend, maar vaak al op zondagavond. Dan werd een grote wasketel met water op het fornuis gezet en ging de witte was aan de kook. Daarvoor gebruikte men stukken huishoudzeep, die met een mes in het water werden gesneden. Dit ‘trekken van de was’ gaf een sterke zeeplucht in huis: een geur die menigeen zich vast nog levendig kan herinneren.

Maandagochtend begon vroeg. De wasketel werd weer opgewarmd en het sop – inmiddels doordrongen van zeep en vuil – werd in teilen of tobbes gegoten. Daar begon het echte werk: schrobben op het wasbord of met een wasborstel op een houten plank, vaak buiten of op een klein binnenplaatsje. Bij koud weer was dit een kille bedoening: rode handen, ijskoud water en kleren die bijna vastvroren aan je vingers.

Tobbes, wringers en waterbesparing

Er werd gewassen in volgorde: eerst de witte was, dan de bonte was en als laatste werkkleding. Het sop werd herbruikt, want water was niet onbeperkt beschikbaar. Spoelen gebeurde in schoon water, vaak meerdere keren. Om de was droger te krijgen, werd deze met de hand uitgewrongen of door een wringer gehaald: twee rubberen rollen waar je het wasgoed doorheen draaide.

Sommige gezinnen hadden een bleekveld – een grasveldje waar de witte was in de zon werd uitgespreid. De zon droogde de was niet alleen snel, maar maakte die ook lichter. Bleekmiddel was dus niet nodig.

De overtuinen van IJlst, waar de was werd neergelegd om te drogen en bleken in de zon. Foto: Adobe Stock

Drogen en strijken

Als het weer meezat, hing men de was buiten over de lijn, heg of schutting. Maar bij regen of kou werd binnen een oplossing gezocht. Wasrekken rond de kolenkachel waren populair, net als katrolsystemen aan het plafond.

Na het drogen werd de was vochtig gemaakt, opgerold en een nacht weggezet in een mand of teil. Zo werd het soepel genoeg om te strijken. Dit gebeurde vaak op een met flanel beklede tafel of een strijkplank, als men die had. Het strijkijzer werd verhit op het fornuis, vaak meer dan één tegelijk zodat je kon wisselen als er eentje afkoelde. Voor manchetten, boorden of schorten werd stijfsel gebruikt.

Van wasdag naar wasprogramma

Pas in de jaren 50 en 60 werd de volautomatische wasmachine echt betaalbaar. Daarvoor bleef de maandag een fysieke strijd met sop, damp en wringers. In sommige gezinnen werd zelfs nog tot in de jaren 70 met de hand gewassen.

Cultuur
  • Zuinigaan, Brabants Erfgoed, Brabants Historisch Informatiecentrum
  • P.B. Kramer, uit de collectie van de Groninger Archieven