Wat is een plaggenhut?
Een plaggenhut was een primitieve woning, vaak gebouwd door de bewoners zelf. Eerst werd een kuil van zo’n halve meter diep gegraven, met aangestampte wanden als muren. Een houten geraamte vormde de basis, waarover grasplaggen werden gelegd als dakbedekking, opgestopt met karton of vodden. Het dak begon op grondniveau en liep schuin omhoog. Het was eigenlijk amper meer dan een hol in de grond, vandaar dat een plaggenhut ook wel 'holwoning' werd genoemd.
De naam 'plaggenhut' komt van plaggen: afgestoken graszoden van heide of veen. Deze werden op het dak gelegd, waar ze soms aan elkaar groeiden en zo enige bescherming boden tegen regen en wind. Bij noodweer moest het dak echter vaak opnieuw worden gelegd.
De bewoners van plaggenhutten
Plaggenhutten waren het onderkomen van de allerarmsten. Vooral veenarbeiders, die werkten in de turfwinning, bouwden deze hutten in veengebieden in Drenthe, Groningen, Friesland en delen van Overijssel. Door de grote vraag naar turf – het "bruine goud" – trokken arbeiders in de 19de eeuw massaal naar deze regio’s, maar huisvesting was schaars. Wie niets kon betalen, bouwde een hut, vaak in één nacht.
In zo’n hut woonden soms hele gezinnen, samen met wat kippen of een geit. Meubilair was er nauwelijks: een tafel, een stoel, een zak stro met oude lappen als bed. Soms was er niet eens een schoorsteen, dan kwam de verwarming van een open vuur. Het was donker, vochtig, koud en het krioelde er van het ongedierte. Een longontsteking lag altijd op de loer, en vaak werd naar de fles gegrepen om het harde leven wat te verzachten.
/https%3A%2F%2Fcdn.pijper.io%2F2025%2F07%2FtnUMXQMIBxgL6e1752152756.jpg)
Het einde van de plaggenhut
De erbarmelijke omstandigheden in plaggenhutten bleven lang onderbelicht, maar rond 1900 groeide het besef dat er iets moest gebeuren. De Woningwet van 1901 stelde voor het eerst eisen aan huizen en maakte het mogelijk slechte woningen onbewoonbaar te verklaren. Toch duurde het tot ver in de 20ste eeuw voordat de laatste plaggenhutten verdwenen. In sommige gebieden, zoals Alteveer in Groningen, woonden mensen tot in de jaren 40 nog in dit soort hutten.
Tegenwoordig zijn er nog (nagebouwde) plaggenhutten te zien in openluchtmusea, zoals het Veenpark in Barger-Compascuum, Ellert en Brammert in Schoonoord, De Spitkeet in Harkema en het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem. Deze nagebouwde hutten geven een indrukwekkend inkijkje in een tijd waarin overleven centraal stond. Geen luxe, geen comfort – alleen de hoop op een beter bestaan.
- Historiek, De Verhalen Van Groningen
- T. Post, uit de collectie van de Groninger Archieven