Het Groninger Schaatsmuseum: ‘Mijn verzamelhart blijft altijd kloppen’

Winterpret is op deze plek gegarandeerd.

Lees ook

Tekst: Jolanda de Kruyf | Fotografie: Max de Krijger

Dit verhaal verscheen in Noorderland 2022-1

Scheuveln! Scheuveln! Aalmoal op ’t ies! D’aine is jong en d’andere is gries. Als we met de neus bovenop nostalgische schoolplaten staan van W.G. va de Hulst en Anton Pieck, ja dan wanen we ons nog op natuurlijke ijsvloeren van lang vervlogen winters. Meters maken of zomaar wat zwieren en koek met zopie. Geen witte wereld? Ook geen nood. In het Groninger Schaatsmuseum in Sappemeer snort de kachel en is het zalig wegdromen over ijzers op het ijs.




‘Ach, er zijn toch eigenlijk geen echte winters meer,’ had Alex Kampinga verzucht. Er dampte koffie, terwijl een ijzige wind rond het karakteristieke pandje joeg. Niet dat de baas uit het Groningse nou zelf zo’n fervent liefhebber is van wat zoal als gangbare winterpret te boek staat. Toch beheert en behoudt hij het enige échte schaatsmuseum in de provincie en dat doet hij met verve en vol overtuigingskracht. De schatkamer aan de Noorderstraat in Sappemeer die alleen al 200 paar fraaie schaatsen tot zeer uitzonderlijk glijders telt, is zijn trotse levenswerk.

Toevallige verzameling
Die hele, volledig uit de klauw gelopen hobby begon midden jaren 80 van de vorige eeuw. Alex, toen nog verkoopleider bij een elektrotechnische groothandel in Groningen, werkte zich doordeweeks een slag in de rondte. ‘Ik was hartstikke druk, maar zocht eigenlijk iets om de accu weer op te laden. Iets om mijn zinnen te verzetten.’ Laat hij nou spontaan op een foldertje stuiten van de Nederlandse Vereniging De Verzamelaar, één van de zovele trouwens uit een eindeloze reeks thema-uitgaven. Want er wordt wat af verzameld. Munten, suikerzakjes, sigarenbandjes, kikkerfiguren. In dit specifieke kleinood was de collectie houten schaatsen van Bert van Voorbergen ondergebracht. Alex sloeg het boekje achteloos open en viel als een blok voor De Schaats. ‘Prachtig!’ vond-ie het. ‘Ik ben meteen naar mijn ouderlijk huis gereden en heb de schaatsen van mijzelf en van mijn vader van zolder gehaald. Daarmee was de verzameling geboren.’ Puur toeval, inderdaad, zo bekent-ie ruiterlijk. ‘Het had net zo goed een verzamelboekje over brandweerhelmen kunnen zijn.’ Schaterlacht: ‘Dan hadden we dáár nu een museum van gehad.’

Jaren van vergaren
Jaren van vergaren braken aan. Neuzen, sneupen en met de intrede van het digitale tijdperk ook surfen, op Marktplaats bijvoorbeeld. Alex sloot zich direct aan bij verzamelkring De Poolster, die de cultuurhistorische waarde van het gebruik en de productie van schaatsen en andere winterse objecten wil bevorderen en behouden. ‘We komen twee keer per jaar bij elkaar en houden dan ook veilingen onderling.’ In zijn spaarzame vrije uurtjes bezocht hij verzamelbeurzen, kris kras door het land. ‘Mijn vrouw Tine ging altijd mee, het had haar interesse gelukkig ook.’ Ze moesten zo zoetjes aan wel wat ruimte maken thuis om de schaatsen en aanverwante voorwerpen die Alex op de kop tikte een fatsoenlijk plekje te geven. In 1996 kocht het echtpaar Kampinga het pand in Sappemeer, vooral vanwege de zee aan ruimte die erachter schuilging. ‘Ik dacht, als ik met pensioen ga, heb ik daar mooi een hokje om te knutselen.’

Maar de oorspronkelijke koffiebranderij en latere kwekerij met koelcel achter hun woonhuis (bouwjaar 1902, ‘niet monumentaal, wél beeldbepalend’) kon je nauwelijks een knutselschuur noemen. Daarvoor had het gebouwtje teveel cachet. En zo viel daar, in Sappemeer, plots alles op z’n plek. 

‘Ik vind de schááts mooi, het houtje’
‘Waarom zou ik er nou alléén van genieten?’ vroeg Alex zich hardop af bij zijn gestaag groeiende collectie en zo begon hij het markante pandje in te richten. Op zelfgemaakte verrijdbare panelen kwamen rekken met metalen beugeltjes, waarop de ijzers nu mooi geëtaleerd staan. In 1998 gingen de deuren open van het Groninger Schaatsmuseum – ‘dat heeft Tine, die toen al ernstig ziek was, gelukkig nog net mogen meemaken’ – en sindsdien dijt de verzameling nog almaar uit en dwalen groepen bezoekers regelmatig gretig rond tussen de schaatsen, foto’s, posters, kleding, medailles. Alex Kampinga vertelt ondertussen vol vuur. ‘Ik heb een verhaal van zo’n drie kwartier en dan zijn de mensen wel rondgeleid.’

Gek genoeg heeft hij zelf weinig met de schaatssport. Ja, vanuit de luie stoel een EK of WK op televisie kijken, misschien een hartversterkertje in de aanslag, dat kan de Groninger nog wel waarderen. ‘Het gaat me niet om het schaatsen. Ik vind de schááts mooi, het houtje.’ Ja, samen met Jan Uitham vormde Alex een poosje een bijzonder duo in de streek. Ze verzorgden lezingen: de vermaard marathon- en Elfstedentochtrijder vertelde honderduit over zijn passie, de schaatssport, en Alex over de schaats. De Groninger schaatslegende overleed in 2019, op 94-jarige leeftijd, maar de museumbeheerder bewaart er mooie herinneringen aan.

Met glis en prikstok
Kuieren langs zijn particuliere verzameling is sowieso a trip down memory lane. Een reis die al bij onze verre voorouders begint. De oermens wist zich al voort te bewegen over bevroren water, door een slede te fabriceren of een glis (een glad been van een rund of paard). Als je daarin gaten maakte kon je zo’n glis onder je schoeisel bevestigen en met een prikstok kwam je vooruit. Zeg maar de voorloper van het langlaufen. Omstreeks het begin van de 15de eeuw zijn er al smeden die schaatsen geheel uit ijzer afleveren. Deze glij-ijzers worden pas in latere periodes van een houten voetzool voorzien. Het comfort groeit, de modellen nemen een vlucht en zijn smid- dan wel streekgebonden. Er is iets aparts met de Groninger smeden, zegt Alex: ‘De schaats is wel degelijk herkenbaar als een Gronings exemplaar, maar in tegenstelling tot hun Friese collega’s hadden ze niet de gewoonte hun naam in het ijzer te slaan. Daarom is helaas vaak niet te achterhalen wie deze smeden waren en in welke plaats ze gewerkt hebben.’

Originele Koninginneschaatsen
Schaatsen rollen nu kant-en-klaar uit de fabriek, maar zo rond 1900 waren er maar liefst drie verschillende ambachtslieden nodig om zo’n glij-ijzer te vervaardigen. De plaatselijke smid, die ook paarden besloeg of hekwerken smeedde, maakte het ijzer dat vervolgens naar de stelmaker ging. Die zorgde voor het houten model; zoals de spanten van een schip werd het voetplankje uit een blok gezaagd en gebogen. Tenslotte kwam de zadelmaker eraan te pas die het leerwerk verzorgde. Puur vakmanschap. 

Het bleef lange tijd een getob, dat binden en strikken van leren veters die je na een paar uur schaatsen nauwelijks meer uit elkaar kon krijgen. Tot Vissering & Ruiter uit Akkrum hun brede riemen en gespen patenteerden. Bijzonder aan dit model was de binding die bestond uit een koperen hak- en voetsteun en brede hak- en teenleren, en het werd toegepast op alle typen Friese schaatsen. Een brandmerk in de houten voet – de letters V en R met een palmtak en een schaats ertussen – garandeerde de exclusiviteit.

Het aan- en afbinden was een stuk gemakkelijker geworden, maar de schaats zat ook veel vaster om de voet. Dat draagcomfort bleef zelfs tot in de hoogste kringen niet onopgemerkt. Koningin-moeder Emma bestelde in 1895 een paar voor haar dochter Wilhelmina, die er volgens ingewijden zo graag op reed. En toen Wilhelmina in 1898 zelf koningin werd en herhaaldelijk ditzelfde model bestelde, werden ze in de volksmond al snel “Koninginneschaatsen” genoemd. Alex Kampinga is wat wijs met een origineel paar V&R: ‘Deze heb ik in Eelde gekocht. Het is als de eerste druk van een boek, snap je.’

Pronkstukken met een verhaal
Zo heeft de museumeigenaar meer pronkstukken met een goed verhaal. De lichtmetalen schaatsen uit de fabriek van De Boer uit Finsterwolde: ‘Zeldzaam. Het wat afgeplatte neusje doet ‘t ‘m.’ En wat dacht je van de klapschaats van oud-langebaanschaatser en oud-coach Gerard Kemkers: ‘Van Finn uit Groningen. Hij reed erop toen hij coach was van de Amerikaanse kernploeg in Nagano, Japan, tijdens de Olympische Winterspelen.’ Nog een paar illustere schaatssmeden uit zijn provincie: Becker uit Groningen, Noorman in Den Ham, Holthuis uit Bellingwolde. ‘In Groningen had je maar een handvol schaatsfabriekjes,’ doceert Alex Kampinga, ‘in Friesland wel 175! Kleine en grotere.’

Er hangen ook schaatsen “die nog geen ijs hebben geproefd” van beroemde makers uit het noorden. Het kampioenspak van wijlen Jan Pesman uit ‘t Groningse is een blikvanger. Alex heeft ook stempelkaarten, medailles, bekers en zelfs een Elfstedenkruisje in bezit. Maar ook de schaatsen én schoenen van lokale grootheden van begin vorige eeuw als Willy Nessendorp, Bregtje Kits en Lucie Koops. Vrouwen die van wanten wisten op het ijs, deze provinciaal kampioenen van de in het noorden immens populaire kortebaanwedstrijden.

‘Wát hebben ze onder hun voeten?’
Het gros van alle attributen voor winterpret – inclusief een paar fraaie sledes – dateert van voor 1900. Toen er nog echte winters waren. Schaatsen met smalle ijzers eronder als het om de snelheid ging, exemplaren waarop je flink meters kon maken. Maar ook die met brede ijzers voor het betere zwaai- en zwierwerk. Schoonschaatsers die dansen over de ijsvloer. ‘Míjn laatste keer op het ijs…?’ Sjonge, dan moet de museumbeheerder wel heel diep graven. ‘Zuidlaardermeer,’ klinkt het dan beslist. ‘Zal eind jaren 60 geweest zijn.’ Alex Kampinga is meer het type toeschouwer, ‘laat mij maar kijken, naar die blije kinders op de bevroren vijver, dat is mooi werk. En wát hebben ze onder de voeten hè? Want dat boeit mij natuurlijk mateloos.’ 

De zoektocht gaat door
Een paar jaar geleden heeft Alex Kampinga er een stichting van gemaakt, want dan kon hij zich officieel als lid scharen bij de vereniging van Nederlandse Musea. Het gaf net wat meer cachet zeg maar. ‘Maar het blijft een particuliere verzameling,’ zegt hij. Waar de schatten straks, in de verre toekomst, terechtkomen? ‘Geen idee. Ik heb het eeuwige leven niet en, heel eerlijk gezegd, mijn kinderen vinden er geen zak aan.’ Weer die schaterlach. Het hindert niks. ‘Ach, het is toch die gekke hobby van pa. Nou ja, dan verkopen ze het later maar.’ Wijst rondom: ‘Dit alles op te bouwen heeft me veel tijd en geld gekost, maar ik heb er nog álle dagen plezier van.’ 

Klaar is het eigenlijk nooit in Sappemeer, het museum dat niet aan de route ligt van een onvervalste Groningse schaatsklassieker en ook nooit zo’n ouderwets ijsvloertje voor de deur (meer) zal hebben liggen. Er wás wel water, maar het kanaal dat ooit dit dorp doorkliefde is al lang gedempt. Gelukkig hebben ze de foto’s nog. En anders snort Alex Kampinga wel ergens een historisch kiekje op. ‘Ik kijk nog elke dag op EBay en Marktplaats. De zoektocht gaat door en mijn verzamelhart blijft kloppen. Ja, het is een aparte tic hoor.’





Laatste nieuws

Zie ook