Zoektocht naar sporen van de Zuiderzee

Pak de landkaart erbij en zie hoe innig Noordwest-Overijssel aan de boezem van de Noordoostpolder ligt gedrukt. Oud en nieuw land in een gedwongen omhelzing.

Lees ook

Dit artikel verscheen in Noorderland 2017-8.

Tekst en fotografie: Jolanda de Kruyf

Pak de landkaart erbij en zie hoe innig Noordwest-Overijssel aan de boezem van de Noordoostpolder ligt gedrukt. Oud en nieuw land in een gedwongen omhelzing. Twee werelden zijn verenigd, met de voormalige Zuiderzeedijk er nog tussen. Die dijk op het droge getuigt van een bewogen verleden aan zee.

De dijk die het land ooit beschermde tegen de grillen van de Zuiderzee slingert nog over een lengte van 33 kilometer voorbij dromerige streekjes: Blankenham, Baarlo, Moespot. Langs legendarische Zuiderzeestadjes zoals Blokzijl, Vollenhove, Hasselt. Plaatsen met een bijzondere geschiedenis. Hij verbindt het “oude land” in de Kop van Overijssel met nieuwe, achter tekentafels ontworpen poldergrond. 

Bevaren, bevist en gevreesd

Vruchtbare landerijen tot zover het oog reikt. Strak verkavelde percelen, eindeloze, door hoog geboomte omkaderde wegen. Op gezette tijden ruikt het er naar uien en kool. Nu eens sjokken koeien aan de einder, dan weer schurken schapen op een kluitje aan de boorden van het dijklichaam. In de verte, waar de Zuiderzee ooit woedde, snort een boerentractor over stoppelig land. 

Af en toe mist een “hap” uit de dijk, dan pak je verderop de draad weer op. Want het grootste gedeelte van de originele kustwering tussen Kuinre en Hasselt is nog intact en dat nodigt uit tot een ommetje. Straks weer op de fiets maar nu, in het stormseizoen, met de auto. Een tocht die je doet beseffen dat de Zuiderzee hier eeuwenlang het bewind voerde. Water speelde een hoofdrol. Water waarop lucratief handel werd gedreven en gevist, maar ook water dat werd gevreesd als ’t bulderde en levens, huizen en landerijen nam. Elf kolken – waterpoelen – telt dit tracé. Ze getuigen van de vele dijkdoorbraken. 

Aan de polderkant doemt zo nu en dan een blauwe peilstok op, buitendienst in the middle of nowhere. Of een paal met daarop een rood scheepje; dat markeert de plek waar een scheepswrak ligt of heeft gelegen, je treft ze in de hele polder aan.

Als een vis op het droge

We rijden de dijk op bij Kuinre, dat praktisch op de grens van Friesland, Overijssel en de Noordoostpolder ligt. Wie het verhaal van z’n bloei en teloorgang kent, begrijpt ook het verdriet van de kern die in 1942, na de eerste grote inpoldering, als een vis op het droge kwam te liggen. Al schiet Kuinre er niets mee op, beleidsmakers kregen spijt van die radicale ingreep. Voor de verdere drooglegging en ontwikkeling van Oostelijk en Zuidelijk Flevoland zorgde men dat er bevaarbare ruimte bleef tussen het oude en nieuwe land. Er kwamen aantrekkelijke rand-meren voor de watersport. 

Kuinre ontbeert zulke voorzieningen; hier werd polderland aan de oude kern vastgeketend. Dat is dubbel zuur als je bedenkt dat Kuinre ooit een welvarende havenplaats was. Die lag, dankzij de rechtstreekse verbinding met de Zuiderzee, strategisch gepositioneerd in “het natte hart van Nederland”. Wat wilde een beetje nederzetting nog meer in de Middeleeuwen? De handel floreerde en Kuinre kende stedelijke rechten. Er waren scheepswerven actief en beurtschippers kwamen uit alle hoeken van de Zuiderzee gevaren, om hier hun waar te verhandelen. 

Een druk bevaren route voor de binnenvaart, vissersschepen, de Hanzevloot. In koggeschepen tot wel 30 meter lang vervoerden kooplieden uit Noord-Europa hun bulkgoed. Roofgoed! Want in deze contreien werden ze dikwijls doelwit van piraten; de “Heren van Kuinre” maakten in de tweede helft van de Middeleeuwen de
Zuiderzeekust onveilig. Hun burcht – steenresten kwamen bij de inpoldering tevoorschijn, de ruïne is nu te bewonderen in het Kuinderbos – gold als hét  zeeroversnest van Noord-Nederland.

Zandzakken voor de deur

“Gevangen” tussen oud en nieuw land echoot in Kuinre nog altijd de roep van het water. Oude of herstelde elementen herinneren aan een verleden aan zee. In de Burchtstraat bijvoorbeeld, waar een replica is gemaakt van de coupure; bij calamiteiten werd dit dijkgat gedicht met schotten en zandzakken. 

Zeker zo surreëel is het oude havenhoofd, aan de Hopweg: de steiger op basalt staat in Overijssel, het gras ervoor ligt in Flevoland. Het bouwwerk stond altijd al zo’n anderhalve kilometer buiten Kuinre, vroeger dus een eindje in zee. In het hokje lagen de lantaarns en bakens opgeslagen die de havenmeester, bij nacht of ontij, aan de mast kon hangen. Zo werden schippers op volle zee gewaarschuwd en de haven ingeloodst. Tegenwoordig is het een nogal bizar tafereel. Je kunt trouwens heerlijk wandelen rond de Oude Haven (Staatsbosbeheer heeft een route van 3 km uitgezet), je vindt er een speelveld, kampvuurplaats en dagcamping.

Zilt water uit de poriën

Door naar Blankenham. Ook zo’n dapper dorp waar ’t zilte water nog uit de poriën komt. Getuige straatnamen als ’t Strand en de Zeestraat en symbolische kunstwerken aan weerszijden van de dijk; een anker op het droge, een golf van roestvrij staal, een scheepje dat op dukdalven rust. Mooi, al is er echt niets romantisch aan die tijden van weleer; nergens anders in de regio werd de bevolking zo wreed en massaal getroffen door het wassende water.

Blankenham kreeg het zwaar voor de kiezen, met minstens vijf enorme overstromingen, een inferno van water met een piek in de 18de en begin 19de eeuw. De genadeklap viel in 1825, tijdens een inktzwarte februarinacht. Letterlijk huizenhoge stormvloeden braken de Zuiderzeedijk bij Blankenham op wel zes plaatsen. Boeren zonder eigen boot waren kansloos; 28 inwoners – dat was tien procent van de totale bevolking – vonden in die nacht de dood. Zestien van alle 53 huizen spoelden weg, vele honderden paarden, koeien, varkens en schapen kwamen om. Om voor toekomstige rampen gewaarschuwd te zijn, plaatste men toen hoogwaterkanonnen langs deze dijk en Blankenham kreeg er zelfs twee. Werden in het vervolg twee schoten gelost, dan was een dijkdoorbraak op komst, drie schoten betekende “wegwezen”. Het gerestaureerde kruithuisje aan de voet van de dijk is in het seizoen (vanaf 1 april) weer geopend en dan een soort minimuseum met stormlantaarn, seinlamp en andere attributen.

Een eeuwenoude dodenakker

De dijk omarmt de graven als een huid, zo dichtte huidig predikant Dirk-Jan Lagerweij van de PKN-gemeente Blokzijl-Scheerwolde over het geliefde kerkhofje in
Baarlo, een gehucht verderop. De intieme begraafplaats onder aan de dijk ligt beschut tussen de bomen en heeft er sinds deze zomer een imposante poortwachter bij: een klokkenstoel. Het is de nieuwe trots in de voortuin van een al eeuwenoude dodenakker. De bijbehorende kapel – die er al stond in de 15de eeuw, maar onherstelbaar gehavend raakte na de stormvloed van 1825 – verdween, het kerkhof wordt gekoesterd én nog regelmatig gebruikt. Een bekend graf is dat van Jan de Dood, toen “hoofd der school” in het naburige gehucht Nederland.

De dijk lijkt de adem even in te houden voor Blokzijl, voordat hij z’n weg vervolgt. Een schilderachtig plekje, deze exponent van de Gouden Eeuw. De Zuiderzee was de levensader van het stadje dat “Klein Amsterdam” als koosnaam draagt. Het Klein- en Groot-Schippersgilde genoten aanzien en statige koopmanshuizen rond de
Havenkolk getuigen van een rijk verleden: hals-, klok- en trapgeveltjes sieren rijksmonumenten in dit beschermde stadsgezicht. Het VOC-verleden is voelbaar in de kern, ooit een levendig handelsstadje en overslagplaats voor turf. Namen als Bierkade en Brouwerstraat stammen uit de tijd dat het gerstenat als drinkwater werd geconsumeerd: dit Zuiderzeestadje telde in de hoogtijdagen wel vijf brouwerijen.

Vuurtoren in aardappelland

Ook langs de kust van Blokzijl stonden hoogwaterkanonnen opgesteld, onderweg kom je de replica’s wel tegen. Een nog veel opmerkelijker fenomeen is de vuurtoren van Blokzijl die op z’n oorspronkelijke locatie – nu dus midden in het akkerland! – is herbouwd. Da’s even wat zoekwerk van de route af, maar dan zie je ‘m, op een dijkje van basalt. De 7 meter hoge lichtopstand staat symbool voor de band met het oude land en de ligging van Blokzijl aan zee. Waar ooit een baken was op de kop van de strekdam aan de vaargeul, waarlangs de Blokzijler vloot de Zuiderzee bereikte, staat nu dit eenzame draailicht tussen de polderpiepers. Het origineel verloor z’n functie met de drooglegging van de Noordoostpolder, in 1942, en werd in dat jaar afgebroken. Het “oude nieuwe” baken – volgens originele tekeningen weer opgebouwd – ligt aan de Blokzijlerweg. Hier voert ook een mooie wandelroute langs (10 km), die heel toepasselijk de naam Vuurtorenpad draagt.

Een ijzingwekkend drama

Tot aan Vollenhove is de oude zeedijk origineel. Daar maken we een haakse zwieper naar rechts om de oorspronkelijke route terug te vinden. Ook deze “stad der paleizen” is onlosmakelijk verbonden met de Zuiderzee. Daarvan getuigen nog vrolijke verhalen, maar ook tragische gebeurtenissen. Zoals die van drie mannen op een ijsschots. Tussen de binnen- en buitenhaven staat het beeld van de Durgerdammer vissers, dat herinnert aan een letterlijk ijzingwekkend drama op zee. 

Het is ’t waargebeurde verhaal van Klaas Bording en zijn zoons Jacob en Klaas, die vanuit hun woonplaats Durgerdam op zaterdag 13 januari 1849 de bevroren Zuiderzee oplopen. Anderhalf uur oostwaarts, terwijl vader met zijn bijl gaten in het ijs hakt. De jongens beginnen met botkloppen, om de vissen op de bodem op te schrikken. Met succes. Na een geslaagde vangst drinken de mannen hun koffie en eten roggebrood van thuis. Maar dan raakt het ijs los van de kust, de schotsen worden het IJ uitgeblazen en drijven op onbestemde koers verder, voortgejaagd door de wind. Niemand hoort hun hulpgeroep. Veertien dagen lang houden de mannen zich in leven met rauwe vis en brak water. Hoop vervliegt. Tot een groepje vissers uit Vollenhove de drie ziet dobberen. Een schots met een slee erop, de flodderlat met daaraan een rode zakdoek, de lege koffieketel in top. 

Met een stevige roeiboot en een tjalk worden de drie binnengehaald in de haven van Vollenhove, waar de zeekamer van de plaatselijke herberg al is klaargemaakt voor de gasten. Maar het is te laat, de mannen hebben teveel ontberingen doorstaan; de 19-jarige Klaas overlijdt na negen dagen aan koudvuur, vader (45) korte tijd later
aan dezelfde gevolgen. Zoon Jacob komt de klap nooit te boven; hij sterft op jonge leeftijd, amper 39 jaar, door overmatig alcoholgebruik. 

Vrolijk strandvermaak

Maar als gezegd, vrolijke verhalen kent het Vollenhoofse verleden aan de Zuiderzee ook. Het strandleven was er behoorlijk in opmars in de jaren 20 van de vorige eeuw. Rond de natuurlijk gevormde kliffen van Kaap De Voorst was het op mooie zomerdagen een drukte van jewelste: pootjebaden, spelevaren, ravotten aan de kustlijn.
Paviljoen Zwemlust werd druk bezocht voor koffie, thee en limonade, ijsco’s en een ansicht voor thuis. Er waren badhokjes en fietsenstallingen, er kwam een springtoren voor duikers, zeilbootjes meerden af aan de lange steiger. 

Maar achter de schermen werd natuurlijk al gewerkt aan een groots waterbouwkundig project: de Zuiderzeewerken. Met de komst van de Afsluitdijk splitste de Zuiderzee zich in Waddenzee en IJsselmeer. Dat had dramatische economische gevolgen voor de beroepsvisserij langs de volledige kuststrook, ook in Vollenhove. Maar het toerisme leed daar niet onder; dat zout water plots zoet werd deed aan de populariteit van het (inmiddels voormalige) zeestrand niets af. Het was de inpoldering die het strandvermaak de das omdeed. In 1938 maakten de baggermolens en zandzuigers hun opwachting, voor gasten in badkostuum was toen geen plek meer. In 1942 was het einde oefening. Het waterschap verkocht de basaltblokken van de kliffen, die golfbrekers waren niet meer nodig.

Wie op de plek staat van het verdwenen zwempaviljoen (nu vakantiepark ’t Akkertien op de Voorst), kan zich er nauwelijks een voorstelling van maken. De basaltkliffen zijn, uit oogpunt van cultuurhistorie, begin deze eeuw in oude glorie hersteld. Al hebben ze geen functie meer in het Vollenhoverkanaal, het zijn wel stille getuigen van hun rol in de Zuiderzee. 

Elf treden, elf woorden

Even verderop richting Zwartsluis, langs de N331 (Oppen Swolle), hebben we onze dijk weer in ’t vizier. Het loont de moeite om de parallelweg te kiezen en dan het monument “Zuiderzeezicht” te bezoeken. Elf treden en evenzoveel woorden leiden omhoog; Overijssels provinciedichter Heleen Bosma dichtte hier Kijk, bij elke trede daalt het land en stijgt het licht en zo voelt het precies. Op deze plek moet vroeger het lichtbaken hebben gestaan dat, samen met de vuurtoren van Oud Kraggenburg, oriëntatie bood aan schepen op de Zuiderzee. Nu kun je er even zitten en uitkijken over het Zwarte Meer en Vogeleiland. Een oase van rust die in schril contrast staat met de twee taferelen op de grond: woeste baren die het voormalige eiland Schokland (omstreeks 1730) omringen en bedrijvigheid op het water, op de dag vóór sluiting van de Zuiderzeedijk, in 1932.

Zwartsluis ademt water. Talloze werfjes verdwenen uit beeld, de turfoverslag werd door de tijd ingehaald en de scheepslijndienst door de opmars van het wegverkeer opgedoekt, maar nog steeds domineren enkele forse werven de haven van deze populaire watersportplaats. Monumentaal erfgoed als de Sluziger botter ZS13, de oudste van ons land, ligt nog steeds in de vaart.

Imposante zeedijk van steen

En dan hebben we het mooiste tot het laatst bewaard: de monumentale Stenendijk, ten zuidoosten van Hasselt en nét buiten de poorten van het Hanzestadje, is toch wel de kers op de taart van onze tijdreis. Het is de enige gemetselde zeewering die Nederland nog kent, exact één kilometer lang in een lappendeken van steen. Hoe oud? Dat is giswerk. Op de eerste kadastrale kaart van 1822 staat de hoge wal ingetekend, maar historici schatten de waterkering stukken ouder; al in de Middeleeuwen zou-ie Hasselt hebben behoed voor het wassende water.

Het is net een leuke tippel in dit vogelbroed- en rustgebied. Onderlangs over zompig land dat grenst aan de oevers van het Zwarte Water, of 2,5 meter hoger over de dijk zonder gemotoriseerd verkeer. De auto kan bij stellingmolen De Zwaluw gestald. 

Die muur imponeert. Distels zoeken hun weg langs robuuste steunberen, muurbloempjes wortelen in de minuscuulste kieren, mossen nestelen zich als gele verfspatten op het steen en lichten op in de zon. De enige bakstenen zeedijk van ons land kan het wel hebben. Hij onderging een ingrijpende opknapbeurt in 1982 en nog altijd is goed te zien hoe alle ingelanden (eigenaren of pachters) ooit hun eigen stukje dijk onderhielden, gelijk aan de oppervlakte grond erachter. Meer dan vijftig vakken in steen zijn het. Een stoere bast van duizend strekkende meter. De Zuiderzee is getemd, maar die Stenendijk hield stand. 

Laatste nieuws

Zie ook